Werkwoord spelling samenvatting

Werkwoordspelling in Twee Minuten

Persoonsvorm

  • Definitie: Een persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die overeenkomt met een bepaalt onderwerp in de zin.

  • Hoe vind je de persoonsvorm?

    • Vraagvorm: Maak van de zin een vraag; de persoonsvorm komt dan vooraan.

    • Tijdswisseling: Zet de zin in een andere tijd; het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm.

Tegenwoordige Tijd

  • Regels:

    • Bij de ik-vorm met jij of je erachter: gebruik je de stam (hele werkwoord -em).

    • Voor het enkelvoud: stam + -t.

    • Voor het meervoud: gebruik het hele werkwoord (infinitief).

Verleden Tijd

  • Sterke Werkwoorden:

    • Deze veranderen in de verleden tijd.

      • Voorbeeld: "ik koop" wordt "ik kocht".

  • Zwakke Werkwoorden:

    • Enkelvoud: stam + -de of -te.

    • Meervoud: stam + -d-en of -te-en.

t’-Kofschip

  • Gebruik:

    • Om af te leiden of werkwoorden eindigen op -te of -en.

    • Regel: Als de laatste letter van de stam voorkomt in het ex-kovschip, gebruik dan -en.

Geen Persoonsvorm

  • Overige Gevallen:

    • Gebiedende wijs

    • Infinitief

    • Voltooid deelwoord

    • Onvoltooid deelwoord

    • Bijvoeglijk naamwoord

  • D of T Regel:

    • Verleng het woord; als je een d of t hoort, schrijf je die ook.

Algemeen Advies

  • Schrijf het woord altijd zo kort en eenvoudig mogelijk op.

Verdere Uitleg

  • Voor een uitgebreide uitleg van de werkwoordspelling, verwijs naar de andere video "Werkwoordspelling, een opfriscursus".