Immuniteit Notes

Het Bloed

  • Een volwassene heeft ongeveer 5 liter bloed.

  • Bloed transporteert stoffen via bloedvaten.

  • Bestaat uit plasma (55%) en bloedcellen (45%).

  • Scheiding mogelijk via centrifugatie.

Plasma

  • Vloeibaar, lichtste deel van bloed.

  • Bestaat uit 92% water en 8% opgeloste stoffen (ionen, eiwitten, hormonen, antilichamen).

  • Hematocrietwaarde: 55% plasma, 1% witte bloedcellen/bloedplaatjes, 44% rode bloedcellen.

De Bloedlichaampjes

  • Vaste structuren: rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes.

  • 4-6 miljoen rode bloedcellen per mm³.

  • Granulocyten: basofielen, eosinofielen, neutrofielen (fagocytose).

  • Monocyten: grootste witte bloedcellen, worden macrofagen.

  • Levensduur varieert van uren tot maanden.

Het Lymfestelsel

  • Bestaat uit lymfevatstelsel en lymfatische organen.

  • Rol in afweer en verwijdering afvalstoffen.

  • Zorgt voor vochtgehalte in weefsels via lymfetransport.

  • Lymfe: kleurloze vloeistof in lymfevaten.

Lymfe

  • Weefselvloeistof door bloeddruk uit haarvaten.

  • Uitwisseling stoffen met cellen.

  • Niet alle weefselvloeistof terug in haarvaten, overschot naar lymfecapillairen.

  • Lymfe lijkt op plasma, maar zonder rode bloedcellen en grote eiwitten.

Lymfevaten

  • Lymfecapillairen beginnen tussen weefselcellen.

  • Vloeien samen tot lymfevaten, die uitmonden in ader bij hart.

  • Verwijderen achtergebleven weefselvloeistof.

Lymfeorganen

  • Lymfatisch weefsel: ophoping van lymfocyten.

  • Lymfeklieren: filteren lymfe, voegen lymfocyten toe, kunnen opzwellen.

  • Milt: zuivert bloed.

  • Thymus: belangrijk voor immuunsysteem, onderscheidt lichaamseigen en vreemde stoffen.

Hongeroedeem

  • Bij honger: afbraak vet- en lichaamseigen eiwitten.

  • Minder eiwitten in bloed, minder aantrekking water.

  • Weefselvloeistof blijft achter, veroorzaakt zwellingen.

Werking Van Het Immuunsysteem

  • Beschermt tegen indringers in drie linies.

  • Eerste linie: fysieke en chemische barrières.

  • Tweede linie: niet-specifieke afweer (fagocytose).

  • Derde linie: specifieke afweer (antilichamen).

De Eerste Afweerlinie

  • Barrières: huid en slijmvliezen.

Fysische Barrière

  • Epidermis: dode, verhoornde huidcellen.

  • Beschadiging: desinfecteren.

Chemische Barrière

  • Zweet- en talgklieren: lysozymen doden bacteriën.

  • Zure omgeving in maag.

Mechanische Barrière

  • Uitstroom urine.

Antilichamen

  • Verschillende typen (IgG, IgE, IgD, IgA, IgM) werken tegen verschillende antigenen.

Overzicht Derde Afweerlinie Of Specifieke Afweer

  • Cellulaire afweer: cytotoxische T-lymfocyten doden geïnfecteerde cellen.

  • Humorale afweer: B-lymfocyten produceren antilichamen.

Vaccinaties

  • Activering immuunsysteem zonder ziekteverschijnselen.

  • Boosters versterken immuniteit.

  • Groepsimmuniteit bij hoge vaccinatiegraad.

Passieve Immuniteit

  • Antilichamen toegediend, tijdelijke bescherming.

Natuurlijke Passieve Immuniteit Of Maternale Immuniteit

  • Antilichamen van moeder via placenta en moedermelk.

Bloed Geven

  • Bloed moet veilig zijn, screening van donors.

Bloed Ontvangen

  • Bij tekort aan bloedcellen, bloedplaatjes of plasma.

Donor En Acceptor

  • Bloedgroep O: universele donor.

  • Bloedgroep AB: universele acceptor.

Het Resussysteem

  • Rhesusfactor (D-antigeen) op rode bloedcellen.

  • Rhesus negatief: geen D-antigeen, kunnen anti-D aanmaken.

  • Problemen bij zwangerschap Rhesus negatieve vrouw met Rhesus positief kind.