Module 3: Demografie

Module 3: Demografie

Inleiding tot Demografie

In de voorgaande module is de economische globalisering behandeld. Voor een goed geografisch begrip gebruiken aardrijkskundigen vijf soorten kenmerken, te weten culturele, demografische, economische, sociaal-culturele, en politieke kenmerken. Deze module richt zich specifiek op de demografie, dat is de studie van de bevolking. Het woord demografie is afgeleid van het Griekse woord 'dèmos' wat 'volk' betekent en 'grapho' wat 'beschrijven' betekent.

Demografische Kenmerken

Het is niet mogelijk om een kaart te maken waarop voor elk van de zeven miljard wereldburgers afzonderlijk de woonplaats is gemarkeerd. Hoewel dit een gedetailleerd beeld zou geven van de bevolkingsspreiding, kan een eerste indruk van deze spreiding ook verkregen worden door de wereld in regio’s in te delen op basis van bevolkingsdichtheid, wat het aantal mensen per vierkante kilometer is. Een kaart vereenvoudigt de werkelijkheid omdat dit kenmerk een gemiddelde is.
Bron 1 illustreert de bevolkingsspreiding in Marokko. De bevolkingsgroei verschilt per regio. Momenteel groeit de wereldbevolking met een gemiddelde van 1,2% per jaar. Op wereldschaal wordt de bevolkingsgroei uitsluitend bepaald door het verschil tussen geboorte en sterfte, wat bekendstaat als de natuurlijke bevolkingsgroei. In specifieke regio's is de sociale bevolkingsgroei, ofwel het migratiesaldo (immigratie minus emigratie), ook van belang. De groei en krimp van de bevolking kunnen worden afgeleid uit een leeftijdsgrafiek, ook bekend als bevolkingspiramide.

Bevolkingspiramide en Leeftijdsgrafieken

Bij de bevolkingspiramide staat op de verticale as de leeftijdsgroepen, ook wel cohorten genoemd, en de horizontale as geeft de omvang van deze cohorten weer. De bevolkingspiramide weerspiegelt de leeftijdsopbouw van een gebied. Bron 2 toont de bevolkingspiramide (in percentages) van Nederland in 2025. Elk land heeft zijn eigen karakteristieke leeftijdsopbouw, maar vier basismodellen zijn te onderscheiden op basis van de natuurlijke bevolkingsgroei:

  • A. Ingedeukte piramidevorm: Dit duidt op een nog niet ontwikkeld gebied met hoge sterftecijfers en een hoog geboortecijfer. Er is veel druk van de jonge bevolking (20 jaar).

  • B. Piramidevorm: Een jonge, sterk groeiende bevolking met een licht afgenomen sterftecijfer en een toenemende levensverwachting.

  • C. Granaatvorm: Deze vorm heeft een afname in geboorten en stagnatie van bevolkingsgroei, waarbij de middengroepen steeds groter worden en de levensverwachting toeneemt.

  • D. Ui- of urnvorm: Dit wijst op een krimpende bevolking met een sterfteoverschot; de verhouding tussen oudere en jongere personen is hoog, wat zorgt voor een verhoogde demografische druk.
    Bron 3 laat de vier meest voorkomende bevolkingsmodellen zien.

Demografische Druk

De demografische druk kan worden afgeleid uit de vorm van een leeftijdsgrafiek. Dit is de verhouding tussen niet-actieve bevolkingsgroepen (jong: 0-19 jaar of oud: vanaf 65 jaar) en de productieve leeftijdsgroep (20-64 jaar). De demografische druk is de optelsom van de groene druk (jonge niet-actieven) en de grijze druk (oude niet-actieven). In Europa is de grijze druk aanzienlijk hoog, terwijl in Afrikaanse regio's de groene druk dominant is. Meestal neemt de demografische druk af naarmate een land zich ontwikkelt, door een dalende groene druk, maar kan vergrijzing opnieuw leiden tot een verhoogde druk. Afwijkingen van de standaardmodellen zijn vaak het gevolg van migratie of extreme omstandigheden, zoals oorlog of hongersnood.

Demografische Transitie

De geboortecijfers en sterftecijfers in verschillende regio's zijn door de geschiedenis heen veranderd door variaties in welvaart en welzijn. In het demografisch transitiemodel worden deze veranderingen grafisch weergegeven. Bron 4 toont het demografisch transitiemodel dat de demografische transitie beschrijft die landen ervaren tijdens hun ontwikkeling.

Fasen van Demografische Transitie
  • Fase 1: Pre-transitiefase: Deze fase wordt gekenmerkt door een levensstijl die sterk afhankelijk is van landbouw en ambacht. De geboortecijfers zijn hoog, omdat geboortebeperking nauwelijks voorkomt. De bevolkingsgroei is traag door hoge sterftecijfers veroorzaakt door slechte hygiënische omstandigheden en besmettelijke ziekten. Tegenwoordig zijn er geen landen die zich nog in deze fase bevinden.

  • Fase 2: Eerste transitiefase: Dit is het begin van industrialisatie. Ook hier blijven de geboortecijfers hoog, maar het sterftecijfer daalt door verbeterde gezondheidszorg en leefomstandigheden (woning, drinkwatervoorziening, riolering en sanitaire voorzieningen).

  • Fase 3: Tweede transitiefase: De industrialisatie leidt tot verstedelijking, waardoor de controle over gezinsgrootte afneemt. De kosten voor opvoeding nemen toe en kennis van geboortebeperkende middelen groeit. Hierdoor daalt de vruchtbaarheid aanzienlijk. In Nederland begon deze afname in de jaren zestig.

  • Fase 4: Post-transitiefase: In deze fase zijn zowel geboortecijfers als sterftecijfers laag. De bevolkingsgroei stagneert. De daling van het geboortecijfer is niet uitsluitend te wijten aan vruchtbaarheid, maar ook aan de afname van het percentage jonge vrouwen. Het sterftecijfer stijgt met de toenemende vergrijzing. Steeds meer demografen geloven dat een vijfde fase volgt, gekenmerkt door een sterfteoverschot, waarbij het sterftecijfer hoger is dan het geboortecijfer. Bron 5 biedt een verdere uitwerking van het demografisch transitiemodel.

Migratie

Met de opkomst van globalisering is migratie gemakkelijker geworden, waarbij mensen nu binnen korte tijd over de wereld kunnen reizen en emigreren. Mensen vanuit centrumgebieden hebben vaak betere mogelijkheden om te migreren dan mensen vanuit periferiegebieden. Pushfactoren zijn redenen om een plek te verlaten, terwijl pullfactoren redenen zijn om naar een specifiek land te verhuizen. Beide factoren staan met elkaar in verbinding. Bij politieke migratie, zoals vluchtelingen die ontsnappen aan oorlog en onveiligheid, is het gebruikelijk dat deze migranten dichtbij familie en cultuur blijven. In Bron 6 wordt een kaart getoond van Syrië, waar de meeste vluchtelingen naar Turkije, Libanon en Jordanië zijn gevlucht.

Typen Migratie

Naast politieke migratie is er ook economische migratie of arbeidsmigratie, waarbij mensen naar een ander land verhuizen voor werk. In Nederland zien we bijvoorbeeld een grote groep Poolse arbeidsmigranten die werken in de landbouw, bouw en steeds meer in kennisberoepen. De Europese Unie maakt deze migratie immers mogelijk, want inwoners van EU-lidstaten hebben vrij verkeer binnen de Unie.
Bron 7 behandelt arbeidsmigranten in de Verenigde Arabische Emiraten, vooral uit plattelandsgebieden in India en Nepal.

Aspiraties en Mogelijkheden Model van Migratie

Er heerst vaak het idee dat alleen de armste mensen migreren naar de rijkste gebieden, maar in werkelijkheid is er een duidelijke relatie tussen het niveau van migratie en de welvaart van een land. Het aspiraties en mogelijkheden model, geïllustreerd in Bron 8, laat dit goed zien:

  • In de periferie (de armste landen) wensen veel mensen te migreren, maar de mogelijkheden zijn beperkt vanwege armoede.

  • In de semi-periferie (landen in ontwikkeling) is er een toegenomen welvaart en meer mogelijkheden, maar de aspiratie om te migreren blijft bestaan.

  • In de centrumlanden (rijkste landen) hebben mensen de mogelijkheden om te migreren, maar de wens om te migreren is laag omdat het leven daar al prettig is.
    Naarmate landen rijker worden, ervaren ze een cyclus van emigratie, gevolgd door een piek en later een afname, wat leidt tot retourmigratie wanneer de situatie in het thuisland verbetert.

Steden en Platteland

Momenteel woont meer dan 50% van de wereldbevolking in stedelijke gebieden, met aanzienlijke regionale verschillen in de urbanisatiegraad, het percentage van de bevolking dat in steden woont. Bron 9 toont de urbanisatiegraad over de wereld. Rijke landen hebben de hoogste urbanisatiegraad; hoe hoger de welvaart, des te hoger de urbanisatiegraad.

Daarentegen blijkt dat de totale stedelijke bevolking in rijke landen kleiner is dan in minder rijke en arme landen. De grootste stad ter wereld, Tokyo, ligt in een rijk land, maar het aantal grote steden in ontwikkelende landen groeit snel. Dit heeft te maken met het urbanisatietempo, de snelheid waarmee het percentage stedelijke bevolking toeneemt. Bron 10 laat het urbanisatietempo in de wereld zien, vooral hoog in arme regio's waar een verschuiving van primaire naar secundaire sector plaatsvindt.