tp biologie flashcards
1. Het organisme als systeem
Een organisme reageert op prikkels uit het interne of externe milieu. Die reactie wordt gecoördineerd door het zenuwstelsel en het hormoonstelsel. Tussen de receptor en de effector zorgen zenuwen voor informatieoverdracht, of fungeren hormonen als boodschapperstoffen.
Homeostase = het stabiel houden van het interne milieu, ook al verandert de omgeving (dynamisch evenwicht).
Feedbacksysteem = een zelfregulerend terugkoppelingsmechanisme dat zorgt voor homeostase. Het meet een verandering, vergelijkt die met de norm, en stuurt bij via activatie (+) of remming (−).
Stroom: prikkel → receptor → verwerking (vergelijking met norm) → effector → reactie → homeostase
2. Centraal en perifeer zenuwstelsel
Centraal ZS (CZS) = hersenen + ruggenmerg
Beschermd door de schedel (hersenen) en de wervelkolom (ruggenmerg)
Hersenvliezen (meninges) + vocht ertussen = schokdemper en bescherming
Perifeer ZS (PZS) = zenuwen + zenuwknopen
Verbindt het CZS met organen en weefsels
12 paar hersenstamzenuwen + 30 paar ruggenmergzenuwen + 2 grensstrengen
Zenuwknopen (ganglia) = verdikkingen op zenuwen met cellichamen erin
3. De hersenen – 4 grote delen
Grote hersenen
2 hemisferen, verbonden via de hersenbalk
Functie: coördinatie van sensorische en motorische centra, persoonlijkheid, denken (eerder linkerhemisfeer), creativiteit (eerder rechterhemisfeer)
Kleine hersenen
2 hemisferen, verbonden via de brug van Varol
Functie: coördinatie van bewegingen, fijne motoriek, automatisatie en evenwicht
Hersenstam
Middenhersenen + brug van Varol + verlengde merg
Functie: coördinatie van de belangrijkste levensfuncties, zenuwkruising (links ↔ rechts)
Tussenhersenen
Thalamus + hypothalamus + hypofyse
Functie: schakelstation tussen zintuig-, zenuw- en hormoonstelsel
Grote en kleine hersenen bestaan aan de buitenkant uit grijze stof (schors) en centraal uit witte stof (merg). Hersengroeven zorgen voor oppervlaktevergroting.
4. Het ruggenmerg
Buisvormige structuur die de hersenen verbindt met het PZS
Sensorische zenuwen komen het ruggenmerg binnen; motorische zenuwen verlaten het
Buitenkant = witte stof, centraal = grijze vlindervormige stof
Centraal loopt het ruggenmergkanaal met ruggenmergvocht
Tussenwervelschijven = schokdempers + zorgen voor ruimte waardoor zenuwen in- en uittreden
5. Microscopische bouw – neuronen
Het ZS bestaat uit neuronen en glia-cellen.
Neuronen = zenuwcellen die impulsen doorgeven
Glacellen = begeleidende cellen, vormen o.a. de myelineschede
Opbouw van een neuron:
Cellichaam met uitlopers
Dendrieten: korte, vertakte uitlopers die signalen ontvangen
Axon: lange uitloper, eindigt in eindknopjes
Myelineschede: vettige beschermlaag rondom het axon
Knopen van Ranvier: kleine onderbrekingen in de myelineschede
3 soorten neuronen:
Sensorisch: receptor → centraal ZS
Motorisch: centraal ZS → effectoren
Schakelneuron: verbindt neuronen binnen het CZS
6. Impulsoverdracht tussen neuronen
Overdracht verloopt chemisch via een synaps:
elektrische impuls in axon → eindknopje geeft neurotransmitters vrij → synaptische spleet → membraanreceptoren op volgend neuron of effector herkennen de neurotransmitters → terug elektrische impuls
Kenmerken:
Eenrichtingsverkeer: eindknopje → synaps → dendriet of effector
Sterkere prikkel → meer neurotransmitters → hogere impulsfrequentie
Neurotransmitters worden daarna afgebroken of opgenomen voor hergebruik
7. Animaal vs. autonoom zenuwstelsel
Animaal ZS (onder invloed van je wil)
Verwerkt bewuste gewaarwordingen
Coördineert bewuste bewegingen (dwarsgestreepte spieren)
Autonoom ZS (niet onder invloed van je wil)
Coördineert onbewuste bewegingen (gladde spieren, hartspier, reflexen)
Coördineert de werking van klieren
8. Reflexen (autonoom ZS)
Reflexen zijn onbewuste, snelle reacties van spieren of klieren op een prikkel. Ze verlopen via een kortere reflexboog, waardoor de reactietijd korter is.
Romp en ledematen (via ruggenmerg, niet de hersenen): receptor → sensorisch neuron → ruggenmerg → motorisch neuron → effector
Hoofd en hals (via hersenstam): bijv. de slik- en pupilreflex
9. Bewuste bewegingen (animaal ZS)
Bewuste bewegingen verlopen altijd via de hersenen.
Romp (via ruggenmerg én hersenen): receptor → sensorisch neuron → ruggenmerg → schakelneuron → hersenen → schakelneuron → ruggenmerg → motorisch neuron → effector
Hoofd en hals: via hersenstam + hersenen
10. Zenuwstelsel & hormoonstelsel samen
Beide stelsels werken nauw samen. De hypothalamus doet aan neurosecretie: neurohormonen activeren of remmen de hypofyse om zelf hormonen aan te maken.
Via neuronen (snel en kortstondig):
Elektrische impuls binnen neuronen (actiepotentiaal)
Chemische overdracht tussen neuronen via neurotransmitters
Herkenning via sleutel-slotprincipe op membraanreceptoren
Via hormonen (trager en langduriger):
Hormonen zijn moleculen met een specifieke structuur
Herkenning via sleutel-slotprincipe op membraanreceptoren in doelwitcellen
Gemaakt door endocriene klieren, getransporteerd via het bloed
Worden daarna afgebroken door het lichaam
11. Homeostase via de hypofyse
De hypofyse is een centrale endocriene klier die veel hormonen aanmaakt en de werking van andere klieren coördineert. De hypofyse wordt zelf aangestuurd door de hypothalamus via een feedbacksysteem (activatie + of remming −).
12. Homeostase van de bloedsuikerspiegel
De alvleesklier (pancreas) bevat de eilandjes van Langerhans, waar twee hormonen worden aangemaakt:
Insuline: laat de bloedsuikerspiegel dalen → glucose wordt opgeslagen als glycogeen in lever en spieren
Glucagon: laat de bloedsuikerspiegel stijgen → glycogeen wordt omgezet naar glucose en afgegeven
Diabetes (suikerziekte): homeostase is verstoord door een slecht werkende alvleesklier.
Type 1, type 2 en zwangerschapsdiabetes zijn drie varianten
Behandeling: insuline-injecties en/of aangepaste eet- en leefgewoonten