enroute 1+2+3

une conscience - een geweten

2. une société - een samenleving

3. harmonieuse - harmonisch

4. témoigner de - getuigen van

5. une valeur - een waarde

6. universelle - universeel

7. la diversité - de diversiteit

8. l’égalité (f) - de gelijkheid

9. multiculturelle - multicultureel

10. enrichir - verrijken

11. insulter - beledigen

12. l’interculturalité (f) - de interculturaliteit

13. mondialisé - geglobaliseerd

14. un malentendu - een misverstand

15. préjugés (un préjugé) - vooroordelen (een vooroordeel)

16. surmonter - overwinnen

17. l’origine (f) - de afkomst

18. mutuelle (mutuel) - onderling

19. interculturel - intercultureel

20. compréhensif - begripvol

21. instaurer - opzetten, invoeren

1. La confiance - Het vertrouwen

2. La compréhension - Het begrip

3. coutumes (une coutume) - Een gewoonte, een gebruik

4. offensant - Beledigend

5. l’ouverture d’esprit (f) - De open geest

6. fiable - Betrouwbaar

7. indifférent - Onverschillig

8. borné - Bekrompen

9. nuire - Schaden

10. tolérant - Tolerant

11. juger - Oordelen, beoordelen

12. Un architecte / Une architecte - Een architect

13. efficaces (efficace) - Efficiënt, doeltreffend

14. maîtrise (une) - Een beheersing

15. un diplôme - Een diploma

16. adapter - Aanpassen

17. Un pilote / Une pilote - Een piloot

18. bilingue - Tweetalig

19. un atout - Een troef

20. une offre d’emploi - Een vacature

21. compétences (une compétence) - Een vaardigheid

22. Un journaliste / Une journaliste - Een journalist

23. vacant - Openstaand

24. Les candidatures (une candidature) - De kandidaatstellingen

25. Un intérimaire / Une intérimaire - Een interimaris, een uitzendkracht

26. s’épanouir - Zich ontwikkelen

1. Un marin / Une marin - Een zeeman

2. une collaboration - Een samenwerking

3. un pêcheur / une pêcheuse - Een visser

4. Un contrat - Een contract

5. Un mécanicien / Une mécanicienne qualifié(e) - Een monteur, gekwalificeerd

6. Un plombier / Une plombière - Een loodgieter

7. Les pompiers (un pompier / une pompière) - Een brandweerman, een brandweervrouw

8. Un notaire / Une notaire expérimenté(e) - Een notaris met ervaring

9. travailler à leur compte (travailler à son compte) - Zelfstandig werken

10. soumettre - Indienen

11. Les paysans (un paysan / une paysanne) - Een landbouwer / een landbouwster

12. Un photographe / Une photographe doué(e) - Een fotograaf / een fotografe, getalenteerd

13. échoue (échouer) - Falen

14. indépendants (indépendant) - Onafhankelijk

Une exposition - een tentoonstelling
2. Une critique - een kritiek
3. Abstraite (abstrait) - abstract
4. Émouvante (émouvant) - ontroerend
5. Décevante (décevant) - teleurstellend
6. Peindre - schilderen
7. Restaurer - restaureren
8. Une affiche - een affiche, een poster
9. Une œuvre - een werk
10. Un autoportrait - een zelfportret
11. Un cadre - een lijst
12. Chaleureux - warm, hartelijk
13. Vibrante (vibrant) - levendig
14. Admirer - bewonderen
15. Visiter (visitent) - bezoeken
16. Une nature morte - een stilleven
17. Un vernissage - een vernissage
18. Éclatante (éclatant) - stralend
19. Époustouflante (époustouflant) - adembenemend
20. Un chevalet - een schildersezel
21. Concevoir - bedenken
22. Une révélation - een revelatie, een onthulling
23. À ne pas manquer - niet te missen
24. Une découverte - een ontdekking
25. Attribue (attribuer) - toekennen
26. Méritent (mériter) - verdienen

### IMG_0108
1. Collaborer - samenwerken
2. Postuler - solliciteren
3. Maîtriser - beheersen
4. Tendre la main à quelqu’un - iemand de hand reiken
5. Un apprenti / Une apprentie - een leerling-stagiair(e)
6. Une esthéticienne - een schoonheidsspecialiste
7. Exercer - uitvoeren
8. Élaborer - opstellen, uitwerken
9. Un fonctionnaire - een ambtenaar
10. Dévouée (dévoué) - toegewijd
11. Exigeant - veeleisend
12. Une peinture - een schilderij
13. Un paysage - een landschap
14. Un chef-d’œuvre - een meesterwerk
15. Intemporel - tijdloos
16. Le peintre / La peintre - de schilder
17. La beauté - de schoonheid
18. Serein(e) - sereen
19. Une palette - een palet
20. Vives (vif) - levendig, fel
21. Un pinceau - een penseel
22. Une toile - een doek
23. Un tableau captivant - een boeiend schilderij
24. L’art (m.) - de kunst