Untitled Flashcards Set

SO Frans A Woorden uit het werkboek unité 2 Apprendre 1 (Frans-Nederlands & Nederlands-Frans) Apprendre 2 (Frans-Nederlands) B Werkwoorden vertalen 1. Leer de vertalingen van de werkwoorden van het être-huis:  !Bij deze werkwoorden gebruik je het hulpwerkwoord être  in de passé composé! 1 Aller = gaan 2 Arriver = aankomen 3 Entrer = naar binnen gaan 4 Monter = naar boven gaan/instappen 5 Rester = blijven 6 Rentrer = naar huis gaan 7 Retourner = teruggaan 8 Tomber = vallen 2. Leer de vertaling van de volgende werkwoorden, deze komen vaak voor in de opdrachten: !Bij deze werkwoorden gebruik je het hulpwerkwoord avoir  in de passé composé! 1 Parler = praten 2 Chercher = zoeken 3 Donner = geven 4 Trouver = vinden 5 Manger = eten 6 Danser = dansen 7 Marcher = lopen 8 Jouer = spelen 9 Travailler = werken 10 Écouter = luisteren 11 Regarder = kijken 3. Leer de être en avoir rijtjes, deze heb je nodig om de passé composé te maken C Je kan de passé composé met de bovenstaande werkwoorden vormen 1. Leer het passé composé stappenplan (staat in de studiewijzer en als bijlage bij dit bericht) en zorg ervoor dat je de stappen kunt opschrijven op de toets. 2. Passé composé uitleg staat in je werkboek op blz. 157-158.  (Extra oefeningen + de oefentoets staan in de studiewijzer)

Hoe maak je de passé composé?

Stappenplan passé composé

Vertaal het Franse werkwoord tussen haakjes naar het Nederlands.

Maak met het werkwoord in het Frans een voltooid deelwoord. Bij werkwoorden die eindigen op -er haal je -er eraf. Je krijgt dan de stam van het werkwoord en hier plak je é achter. (stam +é).

Als je in het Nederlands de voltooide tijd maakt met dit werkwoord, doe je dit dan met een vervoeging van hebben of van zijn? Je weet dan of je of je être of avoir moet gebruiken. Zijn être. Hebben avoir.

Kijk naar het onderwerp in de Franse zin en kies de juiste vervoeging van je hulpwerkwoord avoir of être.

Plak het voltooid deelwoord achter je vervoegde hulpwerkwoord.

Heb ik avoir gebruikt als hulpwerkwoord?

Ja. Dan ben je klaar.

Nee. Pas het voltooid deelwoord aan als je être gebruikt.

Is het onderwerp vrouwelijk? Voeg een –e toe.

Is het onderwerp meervoud? Voeg een –s toe.

Is het onderwerp vrouwelijk en meervoud> Voeg een -e en een -s toe.

Stappenplan passé composé met voorbeelden

Vertaal het Franse werkwoord tussen haakjes naar het Nederlands.

Voorbeeld: manger → eten, aller → gaan.

Maak met het werkwoord in het Frans een voltooid deelwoord. Bij werkwoorden die eindigen op -er haal je -er eraf. Je krijgt dan de stam van het werkwoord en hier plak je é aan. (stam +é).

Manger wordt mangé. Aller wordt allé.

Als je in het Nederlands de voltooide tijd maakt met dit werkwoord, doe je dit dan met een vervoeging van hebben of van zijn? Je weet dan of je of je être of avoir moet gebruiken. Zijn être. Hebben avoir.

Ik heb gegeten. (hebben avoir). Ik ben gegaan. (zijn être).

Kijk naar het onderwerp in de Franse zin en kies de juiste vervoeging van je hulpwerkwoord avoir of être.

Je → ai/suis, Tu → as/es, Il/elle → a/est, Nous → avons/sommes, Ils/elles → ont/sont. Voorbeeld: J'ai mangé (Ik heb gegeten). Elle est allée.

Plak het voltooid deelwoord achter je vervoegde hulpwerkwoord.

Heb ik avoir gebruikt als hulpwerkwoord?

Ja. Dan ben je klaar.

Nee. Pas het voltooid deelwoord aan als je être gebruikt.

Is het onderwerp vrouwelijk? Voeg een –e toe.

Is het onderwerp meervoud? Voeg een –s toe.

Is het onderwerp vrouwelijk en meervoud> Voeg een -e en een -s toe.