Examen PP Rijtjes Havo Notes
Journalistieke principes:
- Hoor en wederhoor
- Scheiding van feiten en commentaar
- Streven naar objectiviteit
- Juiste weergave van feiten, citaten
- Het checken van bronnen
Uitgangspunten van de 3 politieke stromingen:
- Het Nederlandse politieke landschap kende traditioneel drie hoofdstromingen:
- Confessionalisme:
- Christelijke waarden en samenwerking in maatschappelijke verbanden zoals verenigingen, scholen en kerken.
- Het gezin te behouden als hoeksteen van de samenleving, met daarin ruimte voor traditionele rollen voor mannen en vrouwen.
- Liberalisme:
- Individuele rechten en individuele vrijheden.
- Vrijheid van het individu is het streven.
- De overheid moet die vrijheid beschermen en zich verder neutraal opstellen in ethische kwesties.
- Socialisme/sociaaldemocratie:
- Gelijk(waardig)heid en een sturende rol van de overheid om dit te kunnen realiseren.
- De overheid mag actief ingrijpen om gelijkheid tussen mannen en vrouwen en tussen verschillende samenlevingsvormen vorm te geven.
Verschillende vormen van kapitaal:
- Het verloop van socialisatieprocessen is sterk milieuafhankelijk. De verschillen die hierdoor ontstaan leiden ook tot sociale ongelijkheid.
- Economisch kapitaal:
- (Financieel) bezit of een hoog inkomen.
- Sociaal kapitaal:
- Connecties, netwerken en de mate van respect die mensen genieten.
- Cultureel kapitaal:
- Culturele competenties, waaronder kennis, houdingen, opvattingen en smaak die kenmerkend zijn voor hoge sociale posities.
Functies van socialisatie:
- Continuering van een (sub)cultuur.
- Verandering van een (sub)cultuur.
- Identificatie van het individu met anderen, met een groep en een (sub)cultuur, en het besef van groepslidmaatschap van het individu.
- Identiteitsontwikkeling van het individu.
- Gedragsregulatie van het individu.
- De cultivatiehypothese:
- Het wereldbeeld van de zware (media)kijkers vertoont meer overeenkomsten met de mediawerkelijkheid.
- Het wereldbeeld van de lichte (media)kijkers meer met de ‘echte’ werkelijkheid.
- De opinieleidershypothese:
- De invloed van media op publiek gaat via opinieleiders of idolen.
- Mensen volgen bepaalde invloedrijke personen die media-inhouden “filteren”.
- De mediaframing hypothese:
- De socialiserende invloed van media vorm krijgt via framing.
- Mediamakers kiezen altijd, bewust of onbewust, voor een bepaalde invalshoek.
- Framing, ofwel ‘inkaderen’: de manier waarop een onderwerp wordt gebracht, hoe het wordt ingekleed en uitgelegd, en waarmee het in verband wordt gebracht.
- De selectiviteitshypothese:
- De socialisatie van mensen via verschillende media bepaald wordt door de keuzes/selectie die mensen maken uit het media- aanbod.
- Selectieve blootstelling, selectieve perceptie en selectief onthouden spelen een rol.
3 Vormen van identiteit:
- Persoonlijke identiteit:
- Het beeld dat iemand heeft van zichzelf. Het antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’. Het zelfbeeld.
- Sociale identiteit:
- Het beeld dat iemand heeft van zichzelf als lid van de sociale groep(en) en categorie(ën) waar hij of zij deel van uitmaakt.
- Voorbeeld: vrouw, Rotterdammer, Europeaan, Nederlander met Marokkaanse roots, jongere en Sparta-fan.
- Collectieve identiteit:
- Een zij-beeld van een groep dat breed wordt onderschreven door niet-leden of buitenstaanders.
Dimensies van Hofstede (gaat over het analyseren en vergelijken van culturen):
- Grote machtsafstand en kleine machtsafstand
- Individualistisch en collectivistisch
- Masculien en feminien
- Lage onzekerheidsvermijding en hoge onzekerheidsvermijding
- Lange termijngerichtheid en korte termijngerichtsheid
- Hedonisme en soberheid
4 Soorten sociale ongelijkheid:
- Economische hulpbronnen, zoals geld en bezit.
- Sociale hulpbronnen zoals mensen die je kent en je kunnen helpen.
- Symbolische hulpbronnen zoals status en aanzien
- Politieke hulpbronnen zoals macht en gezag. Mensen die middelen hebben om gedrag af te dwingen.
Relevante punten:
- Onderwijs
- Gezondheid
- Politiek
- Cultuur
Macht:
- Verschillende machtsbronnen:
- Economische bronnen (geld en productiemiddelen)
- Cognitieve bronnen (kennis)
- Politieke bronnen (wetten en militaire middelen)
- Affectieve bronnen (charisma, liefde)
- Onderscheid:
- Formele macht: macht die vast ligt in wetten en contracten
- Informele macht: wanneer het niet is vastgelegd maar er andere redenen zijn waarom iemand macht heeft
Verschillende soorten politieke participatie:
- Electorale participatie: stemmen, meewerken aan een verkiezingscampagne, lidmaatschap politieke partijen
- Niet-electorale participatie: lobbyen, contacten met politici, politieke partijen, belangenorganisaties en/of media; lidmaatschap belangenorganisaties, protestacties.
Theorieën over machtsverdeling:
- Pluralisme:
- De moderne samenleving bestaat uit een veelheid van maatschappelijke groepen die allemaal verschillende belangen vertegenwoordigen.
- Machtselitetheorie:
- Er is een machtselite, die sleutelposities inneemt op sociaaleconomisch en politiek terrein.
Twee conflictbenaderingen:
- Marx:
- Ongelijke materiële verschillen tussen de bezittende en de bezitloze klasse centraal.
- Huntington:
- Maatschappelijke conflicten kunnen hun oorsprong hebben in uiteenlopende sociale en culturele verschillen.
Maatschappelijke verschillen die tot conflicten leiden:
- Klasse
- Gender
- Etniciteit
- Generaties
- Sociaal-culturele verschillen
Gevolgen van maatschappelijke en politieke conflicten:
- Afname van de sociale cohesie.
- Versterking van de sociale cohesie binnen de partijen in een conflict.
- Sociale verandering/maatschappelijke ontwikkeling (bv van de heersende normen en waarden).
- Het blokkeren van sociale verandering doordat er een machtsevenwicht ontstaat.
Strategieën voor het omgaan met conflicten:
- Harmoniemodel:
- Nadruk op de overlegcultuur en staat het bereiken van consensus centraal bij allerlei politieke en economische problemen in vele beleidssectoren.
- Conflictmodel:
- (Actie)groepen en organisaties werpen de eigen doelen en belangen in de strijd en trachten zij hun doelen te bereiken, door het inzetten van verschillende strijdmiddelen, waaronder het beïnvloeden van de politiek en de bevolking via de media.
Samenwerking:
- Voorwaarden voor effectieve samenwerking:
- Onderling vertrouwen
- Wederzijdse acceptatie
- Compromisbereidheid
- Deelnemende personen/partijen moeten:
- Een deel van hun autonomie inleveren
- Bereid zijn om met elkaar aan tafel te gaan zitten
- Met elkaar overleggen over heldere afspraken
4 Componenten (kenmerken) van sociale uitsluiting:
- Beperkte sociale en politieke participatie
- Beperkte politieke interesse of sociaal isolement
- Beperkte normatieve integratie
- Beperkte naleving van de gangbare waarden en normen in de samenleving)
- Niet goed kunnen voorzien in elementaire levensbehoeften
- Tekort aan materiële goederen
- Geringe toegang tot sociale grondrechten
- Onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg en veiligheid
Processen die de sociale ongelijkheid in Nederland en tussen landen beïnvloeden:
- Europeanisering en globalisering
- Informatisering en digitalisering
- Veranderende man-vrouw verhouding
- Stijging opleidingsniveau
- Ontwikkeling naar postindustriële samenleving
Overheidsinstrumenten om sociale ongelijkheid te beïnvloeden:
- Socialezekerheidsbeleid:
- Mensen verzekeren tegen inkomensverlies
- Inkomensverdelingsbeleid:
- Zoals belasting, subsidies en premie- heffingen
- Onderwijsbeleid:
- Gericht op het verminderen van onderwijs
- Wijkgericht achterstandsbeleid:
- Actief arbeidsmarktbeleid:
4 vormen van binding:
- Economische bindingen:
- Afhankelijkheden zoals productie
- Politieke bindingen:
- Afhankelijkheden met de politieke macht
- Cognitieve bindingen:
- Kennisvorming en kennisoverdracht
- Affectieve bindingen:
- Gevoelens en emoties (liefde/steun).
Groepsvorming en er niet meer bij horen:
- Willen horen: dropping out en opting out
- Mogen horen: uitsluiting en discriminatie
- Kunnen horen: armoede, werkloosheid
Kenmerken van sociale instituties:
- Ze bestaan buiten het individu om: een enkel persoon kan een institutie niet afschaffen
- Ze hebben vaak een lange traditie: belangrijke sociale instituties zijn niet binnen een kort tijdsbestek ontstaan, maar hebben zich historisch ontwikkeld
- Ze zijn enerzijds vrij stabiel, maar anderzijds ook relatief veranderlijk door de tijd heen.
- Ze berusten vaak op moreel gezag (niet alleen via de wettelijke macht)
- Ze zijn dwingend (gedrag wordt beloond of bestraft)
Functies van politieke partijen (SMAAC):
- Selectie en rekrutering
- Mobilisatie (of participatie)
- Aggregatie
- Articulatie
- Communicatie
Politieke partijen zijn aan verschillende ontwikkelingen onderhevig:
- Er zijn veel zwevende keizers en dus zijn politieke partijen minder stabiel
- Steeds minder mensen zijn ook echt lid van een politieke partij, dus is het moeilijker om geschikte mensen te vinden voor functies.
- Er is steeds meer concurrentie van media en pressiegroepen
- Sommige politieke partijen richten zich meer op het binnen halen van politieke functies en minder op de betrokkenheid van leden.
3 soorten bedreigingen van de samenleving:
- Natuurlijke aard: overstromingen of epidemieën.
- Technologische aard: uitval van essentiële systemen.
- Sociale aard: oorlog etc
Theorieën die criminaliteit verklaren:
- Bindingstheorie: maatschappelijke bindingen werken remmend op criminaliteit.
- Anomietheorie: mensen weinig kansen in de samenleving beleven, dan zullen ze hun doelen eerder op een illegale manier proberen te verkrijgen
- Gelegenheidstheorie: niveau van criminaliteit stijgt door meer potentiële daders, meer geschikte doelwitten en/of minder sociale bewaking.
- Rationele keuze theorie: na een kosten en baten afweging kiezen mensen bewust voor criminaliteit.
- Etiketteringstheorie: mensen gedragen zich conform het etiket dat ze krijgen: selffulfilling prophecy.
Onveiligheid en criminaliteit bestrijden, twee stromingen binnen het strafrecht:
- Klassieke School:
- De mens is VRIJ in denken en handelen. Vrije wil
- Mens is een rationeel handelend wezen. Hij weegt de voordelen tegen de nadelen af.
- Criminologische theorie: Gelegenheids-theorie, rationele keuzetheorie
- Doelen van straffen: Vergelding en generale preventie
- Moderne School:
- De mens is grotendeels ONVRIJ in denken en handelen Omgevingsfactoren spelen een rol.
- Mens is een product van biologische (nature) en gedragsbepalende (nurture) invloeden.
- Criminologische theorie: Bindingstheorie Etiketteringstheorie Anomietheorie
- Doelen van straffen: Speciale preventie, resocialisatie en beschermen van de samenleving
3 Strategieën om criminaliteit te bestrijden:
- Rechtshandhaving: daders opsporen, vervolgen en straffen.
- Ondersteuning en hulpverlening: bevorderen van cognitieve en sociale competenties. Preventieve jeugdzorg.
- Het beperken van de gelegenheid: controles, cameratoezicht etc.
Kenmerken van een staat als interne soevereine macht:
- Als het hoogste gezag regeert over een groep mensen;
- Binnen een bepaald grondgebied valt;
- En daarbij het geweldsmonopolie en belastingmonopolie bezit.