Inleiding

Regelmatige werkwoorden vervoegen

regelmatig werkwoorden eindigen op

  • - ar

  • - er

  • - ir

AR o, as, a, amos, áis, an

ER o, es, e, emos, éis, en

IR o, es, e, imos, Ă­s, en

Vraagwoord vragen

  • QuiĂ©n?

    • wie?

  • QuĂ©?

    • wat?

  • DĂłnde?

    • waar?

  • Cuándo?

    • wanneer?

  • Por quĂ©?

    • waarom?

  • CĂłmo?

    • hoe?

  • Cuánto?

    • hoeveel?

  • Cuál?

    • welke?

Hoe gaat het?

Cómo estás? —> Hoe gaat het met je?

Qué pasó? —> Wat is er gebeurd? 🇲🇽

Qué tal? —> Hoe is het?

Quiubo? —> Wat is er gebeurd? 🇨🇴 & 🇨🇱

Cómo van las cosas? —> Hoe gaan de zaken/dingen?

beleefdheidsvorm

Cómo le va? —> Hoe gaat het met u?

Cómo está usted? —> Hoe gaat het met u?

Help

  • Ayuda!

  • Auxilio!

  • Socorro!

—> help!

  • AyĂşdeme! —> help me!

  • Rápido! —> snel!


  • Fuego!

  • Incendio!

—> brand!

  • InundaciĂłn! —> overstroming!

  • Temblor! —> aardschok!

  • Terremoto! —> aardbeving!

  • Maremoto! —> vloedgolf!


  • Aguas! —> kijk uit! 🇲🇽

  • Cuidado! —> pas op!




Iemand formeel voorstellen

Mag ik u voorstellen aan Pedro?

  • Me permite presentarle a Pedro?

Aangenaam kennis met u te maken

  • Mucho gusto conocerle

Het genoegen is aan mijn kant

  • El gusto es mĂ­o