Untitled

Woordenlijst en Grammatica van het Latijn

Basiswoorden en -zinnen

  • ager: het veld

  • minister: de dienaar

  • aqua: het water

  • lingua: de tong; de taal

  • ripa: de oever

  • praemium: de beloning

  • proximus: dichtstbij; verwant

  • Tiberis: de Tiber (rivier)

Voornaamwoorden en hun vormen

Voor namen
  • caedes: de moord; de slachting (caedis, v.)

  • pecus: het vee (pecoris, o.)

Werkwoorden en hun vervoegingen
  • habitare: wonen

    • Vervoeging: habito, habitas, habitat, habitamus, habitatis, habitant

  • mūtāre: veranderen; verwisselen

    • Vervoeging: muto, mutas, mutat, mutamus, mutatis, mutant

  • necare: vermoorden

    • Vervoeging: neco, necas, necat, necamus, necatis, necant

  • nuntiare: melden

    • Vervoeging: nuntio, nuntias, nuntiat, nuntiamus, nuntiat, nuntiant

  • spectare: bekijken; op het oog hebben

    • Vervoeging: specto, spectas, spectat, spectamus, spectatis, spectant

  • haerere: vastzitten

    • Vervoeging: haereo, haeres, haeret, haeremus, haeretis, haerent

  • licere: het is toegelaten

    • Vervoeging: liceo, licet, licet

Andere belangrijke werkwoorden
  • alere: voeden

    • Vervoeging: alo, alis, alit, alimus, alitis, alunt

  • fallere: misleiden; ontgaan

    • Vervoeging: fallo, fallis, fallit, fallimus, fallitis, fallunt

  • perficere: voltooien

    • Vervoeging: perficio, perficis, perficit, perficimus, perficitis, perficiunt

Belangrijke bijwoorden

  • immo: integendeel; sterker nog

  • prope: dichtbij

  • dēdūcere: naar beneden brengen;

    • Vervoeging: deduco, deduxi, deductum

  • exire: buitengaan; eindigen

    • Vervoeging: exeo, exii, exitum

Bijwoorden van tijd

  • deinde: daarna

  • denique: ten slotte

  • domum: naar huis

  • etiam: ook; zelfs; nog

  • hic: hier

  • iam: al; dadelijk

Bijwoorden van plaats

  • ibi: daar

  • ut: opdat; hoe

  • ubi: waar?; (daar) waar

Belangrijke structureren in de zinnen

Conjuncties
  • et: en; ook

  • sed: maar

  • nec: en niet; ook niet

  • at: maar

Subordinerende voegwoorden
  • cum: toen; wanneer

  • dum: terwijl

Zinsstructuur

  • De substantieven van de tweede klasse hebben een specifiek genus dat vaak uit de betekenis van het woord blijkt. Dit moet soms uit het hoofd geleerd worden voor de juiste context.

Regels voor genus in substantieven
  • Substantieven die eindigen op -er, -or, -ös zijn meestal mannelijk.

    • Voorbeeld: servus (slavin)

  • Substantieven die eindigen op -a, -is, -ex zijn meestal vrouwelijk.

    • Voorbeeld: mulier (vrouw)

Voorbeeld van adjectives als substantieven
  • aeger: servus aeger (de zieke sloef)

  • multi: multi homines (veel mensen)

Grammaticale implicaties
  • Adjectieven kunnen zelfstandig gebruikt worden en dan gaat het om een specifiek substantief in het mannelijk.

Specifieke woorden

  • dux: de leider (ducis, m.)

  • mater: de moeder (matris, v.)

  • corpus: het lichaam (corporis, o.)

  • civis: de burger (civis, m.)

  • frater: de broer (fratris, m.)

  • mors: de dood (mortis, v.)

  • nox: de nacht (noctis, v.)