nederlands onomastiek

Coppieters — kind van Jacob‑Pieter

• Cremer — marktkramer

• De Praeter — boswachter

• Demeyere — gerechtelijk ambtenaar

• Grijspeerdt — grijsharige

• Huygens — kind van Hugo

• Rademaeckers — kind van iemand die wielen maakt

• Sanders — kind van Alexander

• Snieders — kind van een kleermaker

• Sutter — kind van een schoenmaker

• Van Laere — woont in een open plek in het bos

• Vandenbroeck — woont bij een moeras

Achilleshiel — je kwetsbare plek

• Argusogen — iets wantrouwend en waakzaam bekijken

• Draad van Ariadne — middel om uit een moeilijke situatie te raken

• Bacchanaal — woest drinkgelag

• Armen van Morpheus — slapen, dromen

• Narcist — ziekelijke liefde voor zichzelf

• Oedipuscomplex — Freudiaans concept: erotische binding met ouder van ander geslacht

• Zwaard van Damocles — dreigend gevaar in tijden van voorspoed

• Sisyphusarbeid — zware arbeid zonder resultaat

• Tantaluskwelling — iets dat je wil is dichtbij maar onbereikbaar

• De ware Jakob — de ideale partner

• Abraham/Sarah gezien hebben — oud zijn

• Als de rechte Adam komt, gaat Eva mee — als de juiste man komt, volgt de vrouw

• Zo arm als Job — straatarm

• Een kuise Suzanna — zeer kuise, eerbare vrouw

• Judaskus — schijnbare vriendelijkheid die verraad verbergt

• Salomons oordeel — wijs, rechtvaardig oordeel

• Leven als Kaïn en Abel — voortdurend ruzie maken

• Van Pontius naar Pilatus sturen — iemand van het kastje naar de muur sturen

• David die psalmen maakt — oud worden en zich bezighouden met rustige bezinning