Samenvatting Geschiedenis: Van Ancien Régime tot Eigen Tijd
Historisch Referentiekader: De Tijd
Historische Periodes:
* Prehistorie ( – ): Gekenmerkt door de Neolithische revolutie, de overgang van een nomadenleven als jager-verzamelaar naar een sedentaire samenleving met nederzettingen, landbouw, akkerbouw en veeteelt.
* Oude Nabije Oosten ( – ): Uitvinding van het schrift en het ontstaan van de eerste stedelijke samenlevingen.
* Klassieke Oudheid ( – ): Stichting van Rome, opkomst van het christendom en het ontstaan van de eerste democratieën.
* Middeleeuwen ( – ): Begint bij de val van het West-Romeinse Rijk en eindigt bij de val van het Oost-Romeinse Rijk (Constantinopel).
* Nieuwe Tijd ( – ): Ontdekking van Amerika door Columbus, ontstaan van het protestantisme, vorming van vorstendommen en het ontstaan van de eerste kolonies.
* Nieuwste Tijd ( – ): Start bij de Franse Revolutie, omvat de industriële revoluties en de politieke opkomst van de burgerij.
* Eigen Tijd ( – heden): Begint na het einde van de Tweede Wereldoorlog ().Het Ancien Régime:
* Betekenis: Letterlijk 'het oud stelsel' of 'oud systeem'.
* Tijdsspanne: De periode vóór de Franse Revolutie ( - eeuw).
* Kenmerken: Een maatschappijstructuur gebaseerd op privileges van geestelijken en adel. Politiek was er sprake van absolutisme, waarbij de vorst alleen regeerde en boven de bevolking stond, gerechtvaardigd door een goddelijke bepaling.Vergelijking Nieuwste Tijd vs. Eigen Tijd:
* Nieuwste Tijd als breuk met Ancien Régime: Gemarkeerd door het begin van globalisering en de industriële revolutie als breekpunt.
* Nieuwste Tijd als continuïteit: Vooruitgang was reeds ingezet; liberalisme (vrijheid) en secularisatie (afstand van de kerk) waren al zichtbaar.
* Eigen Tijd als breuk met Nieuwste Tijd: Gedefinieerd door het einde van en de intensieve toename van internationale samenwerkingsverbanden.
* Eigen Tijd als continuïteit: Scheiding van kerk en staat dateert al van de Franse Revolutie en de opkomst van de was reeds gaande.Oorzaak, Gevolg en Aanleiding:
* Indirecte oorzaken: Factoren die op lange termijn leiden tot ontwikkelingen (bijv. langdurige onderdrukking).
* Directe oorzaak (Aanleiding): De specifieke gebeurtenis die direct tot actie leidt, vaak de 'druppel die de emmer doet overlopen' (bijv. een hongersnood of het neerslaan van een protest).
Historisch Referentiekader: Ruimte en Domeinen
Centrum-Periferie Model:
* Centrum: Meest ontwikkeld, bevat de macht en kapitaal. Economie is hoofdzakelijk tertiair (diensten) met hoge inkomens.
* Semi-periferie: Sterke focus op secundaire sector (maakindustrie), kent vaak sterke economische groei en stijgende inkomens.
* Periferie: Economisch achtergebleven en afhankelijk. Economie is gebaseerd op de primaire sector (landbouw, mijnbouw) en levert grondstoffen en goedkope arbeid.Ruimtelijke Begrippen:
* Maritiem: Gerelateerd aan de zee/zeevaart.
* Continentaal: Gerelateerd aan land/landen onderling.
* Ruraal: Platteland/landelijk gebied.
* Stedelijk: Urbanisatie en dichte bebouwing.
* Schalen: Lokaal (stad/dorp), Regionaal (bijv. Vlaanderen), Nationaal (binnen een land), Europees, Mondiaal (wereldwijd).De Maatschappelijke Domeinen:
* Politiek: Afspraken, organisatie, regels, wetten, rechten en plichten.
* Economisch: Handel, landbouw, diensten, nijverheid, techniek.
* Sociaal: Manier van samenleven, verhoudingen tussen mensen, leefgewoonten.
* Cultureel: Kunst, religie, wetenschap.
* Wisselwerking: Deze domeinen beïnvloeden elkaar (bijv. de Dominotheorie: politieke angst voor communisme beïnvloedt economische hulp aan ontwikkelingslanden).
Industriële Revoluties
Eerste Industriële Revolutie ( - ):
* Basis: Vervanging van handarbeid door machine-arbeid. Startte in Groot-Brittannië (), gevolgd door België.
* Voorwaarde: Demografische revolutie leidde tot meer vraag en een overschot aan arbeidskrachten op het platteland/stad.
* Oorzaken: Technologische vernieuwingen en economisch liberalisme (vrije markt).
* Innovaties: De stoommachine van James Watt, stoomtrein, mechanisch weefgetouw.
* Energiebron: Steenkool.
* Sectoren: Textiel, ijzer en steenkool.Tweede Industriële Revolutie (eind eeuw):
* Aanleiding: Economische depressie ( - ) dwong tot innovatie.
* Kenmerken: Gebruik van elektriciteit (dynamo rond , gloeilamp in ), de verbrandingsmotor (vervanger stoom), staal (vervanger ijzer) en de chemische industrie (o.a. verfstoffen).
* Organisatie: Schaalvergroting en massaproductie om kosten te drukken. De nood aan grondstoffen leidde tot intensief modern imperialisme in Afrika.Industrialisatie in België:
* Succesfactoren: Beschikbaarheid van steenkool/ijzererts, kapitaal van ondernemers en de aanwezigheid van werkloze arbeidskrachten uit de textielsector.
* Regio's:
* Verviers: Wolindustrie (William Cockerill).
* Gent: Katoen en linnen (Lieven Bauwens smokkelde machines uit ).
* Luik: Staal en machinebouw (John Cockerill).
* Bergen & Charleroi: Steenkool en glas.
* Sociale impact: Proletarisering van kleine ondernemers. Slechte werkomstandigheden: kinderarbeid, werkdagen van , , gebrek aan veiligheid en recht op staking.
Politieke Gebeurtenissen in de Eeuw
Congres van Wenen ( - ):
* Doel: Restauratie van het absolutisme en het herstellen van het machtsevenwicht in Europa na Napoleon.
* Allianties: Heilige Alliantie () voor behoud van principes; Grote Alliantie (inclusief ) voor machtsevenwicht.
* Beslissingen: Oprichting van bufferstaten (o.a. Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I). Territoriale herschikking: kreeg strategische eilanden (Malta, Gibraltar), Rusland kreeg Finland en Polen.Belgische Revolutie ( - ):
* Oorzaken: Onvrede over de ongelijke verdeling in het parlement, gedwongen vernederlandsing, en het beleid van de protestantse Willem I (antiklerikaal).
* Monsterverbond (Unionisme): Samenwerking tussen liberalen en katholieken tegen de gemeenschappelijke vijand Willem I.
* Belgische Grondwet (): Vastgelegd als een constitutionele parlementaire monarchie. Scheiding der machten en cijnskiesrecht (slechts van de bevolking stemde) waren centrale kenmerken.
Ideologieën en Sociale Organisaties
Socialisme en Marxisme:
* Socialisme: Streeft naar gelijkheid en solidariteit om sociale ongelijkheid weg te werken via de staat.
* Marxisme: Wetenschappelijk socialisme (Karl Marx) dat pleit voor een radicale oplossing en macht voor het proletariaat.
* Christendemocratie: Gebaseerd op de encycliek Rerum Novarum () van Paus Leo XIII, die opriep tot naastenliefde, vakbonden en betere omstandigheden voor arbeiders.Politieke Partijen in België:
* BWP (): Gericht op algemeen stemrecht.
* Christene Volkspartij (Daensisten): Geïnspireerd op Rerum Novarum, strijdend voor de onderdrukte arbeider.
* KPB (): Radicaal links, loyaal aan de Sovjet-Unie.Sociaal-Economische Hulpmiddelen:
* Coöperatieven: Winkels die basisproducten goedkoop verkochten aan leden.
* Mutualiteiten: Ziekenfondsen voor financiële steun bij ziekte.
* Vakbonden: Verdediging van werknemersbelangen (erkend vanaf ).Evolutie Stemrecht in België:
* : Cijnskiesstelsel (mannen, , belastingen).
* : Algemeen Meervoudig Stemrecht (mannen, , extra stemmen obv bezit).
* : Algemeen Enkelvoudig Stemrecht (mannen vanaf ).
* : Stemrecht voor vrouwen bij nationale verkiezingen.Liberalisme en Nationalisme:
* Liberalisme: Individuele vrijheid staat centraal; overheid moet zich zo min mogelijk bemoeien (o.a. gedachtegoed John Locke).
* Nationalisme: Eenheid van het volk op basis van taal, cultuur en geschiedenis. Drie vormen: versterkend (eenheid creëren), separatisme (afscheiding, bijv. België) en unificatie (bundeling, bijv. Duitsland).
Cultuur en Denkstromingen ( Eeuw)
Realisme: Kunststroming die de werkelijkheid objectief en sociaal-kritisch weergeeft (o.a. Courbet, Millet, Van Gogh).
Romanticisme ( - ): Focus op gevoel, fantasie en de "onbezoedelde natuur" als verzet tegen het rationalisme.
Abolitionisme: Beweging voor de afschaffing van slavernij (, ).
Eugenetica (): Onderzoek naar rasverbetering door het uitschakelen van "ongewenste" erfelijke kenmerken.
Sociaal Darwinisme ( - ): Toepassing van "survival of the fittest" op de maatschappij, gebruikt ter rechtvaardiging van racisme en kolonialisme.
Fin de Siècle ( - ): Gevoel van verval aan het einde van een bloeiperiode.
Positivisme (): Opvatting dat alleen waarneming leidt tot kennis.
Imperialisme en Kolonisatie
Modern Imperialisme ( - ):
* Motieven: Economisch (grondstoffen/afzetmarkt), nationalistisch (aanzien), demografisch (overbevolking) en ideologisch (beschavingsmissie).
* Conferentie van Berlijn ( - ): Europese landen verdeelden Afrika zonder inspraak van de lokale bevolking.België en de Kolonisatie:
* Kongo-Vrijstaat ( - ): Privé-eigendom van Leopold II via de . Gekenmerkt door extreme uitbuiting (rubber en ivoor) en ontvolking.
* Belgisch-Kongo ( - ): Overgeheveld naar de Belgische staat na internationale kritiek. Systematische uitbuiting bleef, maar onderwijs leidde uiteindelijk tot een politiek bewustzijn bij de inheemse bevolking.
Rusland en de Russische Revolutie
Situatie tot : Rusland was een autocratie onder de Tsaar. Economisch was het land feodaal ( boeren of 'Moezjieks') en afhankelijk van het Westen voor industrie.
* : Eerste revolutie na nederlaag tegen Japan; Bloedige Zondag leidde tot de vorming van de Doema.Februarirevolutie (): Incompetentie tijdens en de invloed van Rasputin leidden tot de val van de Tsaar. Er ontstond een dubbelmacht tussen de Voorlopige Regering en de Sovjet van Petrograd.
Oktoberrevolutie (): De Bolsjewieken (onder Lenin) grepen de macht met de belofte van 'Brood, Land en Vrede'.
Vrede van Brest-Litovsk (): Rusland verloor de helft van zijn Europees grondgebied aan Duitsland om de oorlog te beëindigen.
Beleid van Lenin & Stalin:
* Lenin: Voerde het oorlogscommunisme in, later de () om de economie te redden. Oprichting in .
* Stalin ( - ): Totalitair regime met vijfjarenplannen en collectivisering van de landbouw (vervolging van 'Koelakken'). Gebruik van terreur via de Goelag en Agitprop-propaganda.
De Wereldoorlogen
Eerste Wereldoorlog ( - ):
* Aanleiding: Moord op Frans Ferdinand (juni ).
* Kampen: Centralen () vs. Geallieerden ().
* Kenmerken: Totale oorlog, loopgravenoorlog en gebruik van gifgas.
* Verdrag van Versailles (): Duitsland werd zwaar gestraft (herstelbetalingen, ontwapening, verlies kolonies). Wilson's -puntenprogramma benadrukte het zelfbeschikkingsrecht.Interbellum: Economische bloei in de eindigde in de Wall Street Crash (), die een wereldwijde depressie veroorzaakte. Dit leidde tot de opkomst van het fascisme (Mussolini) en nazisme (Hitler).
Tweede Wereldoorlog ( - ):
* Course: Startte met inval in Polen (). Belangrijke keerpunten waren Midway (), El-Alamein () en Stalingrad (begin ).
* Einde: Hiroshima en Nagasaki (atoombommen, augustus ). Capitulatie van Japan op .
* Holocaust: Systematische uitroeiing ('Endlösung') van de Joodse bevolking, gepland op de Wannseeconferentie ().
Naoorlogse Wereld en de Koude Oorlog
Verenigde Naties (): Opvolger van de Volkenbond. Organisatie: Algemene Vergadering, Veiligheidsraad (met permanente leden met vetorecht), , Internationaal Gerechtshof en gespecialiseerde organisaties zoals en . Er zijn Duurzame Ontwikkelingsdoelen opgesteld.
Koude Oorlog ( - ): Bipolaire strijd tussen Kapitalisme () en Communisme ().
* Fasen: Trumandoctrine en Marshallplan (), Cubacrisis (), Berlijnse Muur ( - ), en het -principe (nucleaire afschrikking).
* Einde: Hervormingen van Gorbatsjov (Glasnost en Perestrojka) leidden tot de implosie van de Sovjet-Unie in .Europese Unie: Ontstond uit de nood aan vrede. Evolutie: (), Verdrag van Rome (, oprichting ), Verdrag van Maastricht ().
Het Naoorlogse België
Sociaal-Economisch:
* Sociaal Pact (): Oprichting van de (sociale zekerheid), overlegeconomie en koppeling van lonen aan de index.
* Staatsstructuur: Evolutie van unitaire staat naar federale staat door breuklijnen (Koningskwestie, Schoolstrijd, Leuven Vlaams). Zes staatshervormingen tussen en verdeelden de macht tussen de Federale staat, Gemeenschappen (persoonsgebonden) en Gewesten (plaatsgebonden).Politiek Landschap:
* Vlaamse partijen: PVDA (Communisme), Groen (Ecologisme), Vooruit (Socialisme), CD&V (Christendemocratie), Open Vld (Liberalisme), N-VA (Nationalisme/Liberalisme), Vlaams Belang (Nationalisme).
Hedendaagse Wereldvraagstukken
Dekolonisatie: Proces na waarbij kolonies onafhankelijk werden (India , Kongo ). Figuren zoals Gandhi, Mao, Mandela en Lumumba speelden centrale rollen.
Israël-Palestina: Conflict over grondgebied sinds het Zionisme en de Balfour-verklaring (). Belangrijke oorlogen in (-daagse) en . Uitdagingen blijven Joodse nederzettingen, waterproblematiek en de status van Jeruzalem.
Denkstromingen Nu:
* Andersglobalisme: Focus op mens en milieu in de wereldeconomie.
* Negationisme: Ontkennen van historische feiten zoals de Holocaust.
* Secularisatie: Afname van kerkelijke invloed op de staat en het publieke leven, wat leidde tot ontzuiling.