4.2 – De bouw van botten
Begrippen:
Pijpbeenderen = Botten met geel beenmerg in de mergholte en rood beenmerg in de kop
Geel beenmerg = Beenmerg dat zich bevindt in de mergholte van pijpbeenderen
Rood beenmerg = Beenmerg dat zich bevindt in de koppen van pijpbeenderen en in platte beenderen
Platte beenderen = In deze botten zit rood beenmerg
Kalkzout = Geven stevigheid aan het botweefsel
Collageen = Zorgt ervoor dat botweefsel een beetje buigzaam blijft
Kraakbeenweefsel = Weefsel dat stevig en goed buigzaam is
Botweefsel = Weefsel dat heel stevig is en een beetje buigzaam
Fontanellen = De ruimte tussen de botten van de schedel van een baby
Leerdoelen:
Je kunt de bouw van het botweefsel en kraakbeenweefsel beschrijven:
botweefsel:
- Heel hard (door calciumzouten)
- Er stroomt bloed
- Groeit door celvermeerdering --- groeit in lengte / dikte
- Voorbeeld: Dijbeen, schedel
Kraakbeenweefsel:
- Zacht en elastisch
- Geen bloed. Voeding door diffusie
- groeit door celvermeerdering --- groeit van binnenaf / buitenaf
- Voorbeeld: Oorschelp, neus, tussenwervelschijven
Je kunt beschrijven hoe de samenstelling van botten verandert tijdens het leven
Kind: Botten groeien snel
20-30 jaar: Maximale sterkte en dichtheid van botten
30-50jaar: Langzaam meer botafbraak dan botopbouw
Botdichtheid neemt af (vooral bij weinig beweging / calciumtekort)
50+ jaar: Bot massa neem af, minder collageen en minder kalkzout
Collageen = zorgt ervoor dat botweefsel een beetje buigzaam blijft
Kalkzout = Geeft stevigheid aan botweefsel