College notes on Publiekrecht
Deel I: Staat en recht - Geschiedenis van het Publiekrecht
Wat?
- Metajuridisch vak op het snijvlak van academische disciplines.
- Focus op hoe recht tot stand komt en zich ontwikkelt in een specifieke context.
- Staatsbestel: structuur, staatsorganen, bevoegdheden.
- Grondrechtenbescherming.
- Kiesstelsel: invloed op polarisatie (e.g., meerderheidsstelsel in de VS vs. proportionele vertegenwoordiging in België).
- Vraagstukken:
- Wie maakt het recht?
- Hoe maakt men het recht? (e.g., absolute macht van de koning vs. vertegenwoordigers).
- Wanneer en waarom wordt het recht gemaakt?
- Hoe en door wie wordt het recht gehandhaafd? (e.g., overheid, privépersonen, rechters).
- Voor wie wordt het recht gemaakt? (e.g., individuen, selecte groepen, hele gemeenschap).
- Magna Carta (1215): rechten toegekend aan een selecte groep (adel, clerus).
- Recht functioneert binnen een sociaal-maatschappelijk geheel.
- Rechtssystemen zijn continu in ontwikkeling.
- Wederzijdse beïnvloeding tussen recht en samenleving.
- Publiekrecht:
- Staatsorganen en -instellingen (e.g., GwH, parlement).
- Algemene politieke principes en rechtsbeginselen.
- Juridische begrippen, regels, procedures.
Waarom?
- Belgische revolutie 1830-31 als voorbeeld:
- Constitutionele bezwaren: rol van regering en vorst t.o.v. vertegenwoordigende vergaderingen; inperking van grondrechten.
- Culturele motieven: Franse taal van politieke elite vs. taalbeleid van Willem I.
- Politieke klachten: ondervertegenwoordiging van het Zuiden in de Staten-Generaal.
- Religieuze overwegingen: katholiek Zuiden vs. protestants Noorden.
- Economische gronden: idee dat Willem en zijn regering het Noorden economisch voortrekt.
- Toevallige aspecten.
- Rechtshistorisch onderzoek:
- Begrip van het hedendaagse recht: waarom bepaalde regels behoren tot ons recht en andere niet meer.
- Inzicht in de ontwikkeling en toepassing van recht in historische context geeft zicht op rechtshistorische argumenten.
- Revaardigheidsbegrip = variabel van aard.
- Rechtshistorische dimensie is een belangrijke component in contemporaine rechtsvergelijkende onderzoeken.
- Belgische revolutie 1830-31 als voorbeeld:
Macht en machtsconflicten liggen aan de basis van het staatsbestel.
- Gestolde macht: macht in verschillende verschijningsvormen, afhankelijk van omstandigheden.
- Aggregatietoestand van een materie.
- Gestolde macht: macht in verschillende verschijningsvormen, afhankelijk van omstandigheden.
Inzicht in het verleden laat toe om:
- Het potentieel van het staatsbestel + de beperkingen van juridische stelsels in context te ontwaren.
- Een onderscheid te maken tussen het essentiële en het incidentele.
Hoofdstuk 1: Het moderne staatsbegrip
Inleiding
- Hoe regelen we de manier waarop we onszelf besturen? (Publiekrecht)
- Gemeenschappelijk: legitimiteit van de overheid om te besturen.
- Geen uniform model qua ideologie en juridisch systeem.
- Natuurstaat = chaos -> macht centraliseren in handen van één persoon/instelling.
- Vandaag: representatief regime (parlement).
- Problematiek:
- Hoe democratie in constitutionele zin denken?
- Hoe rechten bewaren en ervoor zorgen dat een democratische meerderheid de rechten en belangen van de minderheden niet miskent?
De idee van ‘de staat’
- Staat = status/toestand.
- Oude literatuur: ‘staat’, ‘natie’ en ‘republiek’ als synoniemen.
- Uitgangspunt:
- Enige manier om rust te creëren en te veranderen dat een groep mensen die samenleven in chaos en geweld vervalt
- Chaos terug gaan ordenen => macht om bevelen op te leggen concentreren in handen van een persoon of instelling => machtsconcentratie.
- Deze persoon/instelling maakt de wet (= beslissing die je oplegt ad sl), die op iedereen van toepassing is
- Deze persoon/instelling heeft een geweldmonopolie (de enige die geweld mag gebruiken om iemand te dwingen).
- Definiëring van de staat = afhankelijk van welk standpunt men inneemt:
- Moderne / Hedendaagse geschiedenis: vanaf de Atlantische revoluties in de V.S. (1776) / Frankrijk (1789).
- Vroegmoderne / Nieuwe geschiedenis: vanaf de val van Constantinopel (1453) of landing Columbus in Amerika (1492).
- Middeleeuwen.
Moderne / Hedendaagse geschiedenis
- Staat begrepen als de liberale staat:
- Verkozen bestuurders (parlement, regering).
- Scheiding der machten: WM, UM, RM.
- Overheid gebonden aan het recht (rechtstaat).
- Waarborgen voor de bescherming van onvervreemdbare grondrechten van burgers (via grondwetsbepalingen, instellingen).
- Staat begrepen als de liberale staat:
Vroegmoderne / Nieuwe geschiedenis
- Idee van soevereiniteit van de wetgever ontwikkelt zich.
- Vorst consolideert macht in centrale staat.
- Religieuze spanningen leiden tot het doorknippen van de band tussen religie en publiekrecht.
- Macht berust (ook) bij vertegenwoordigers van het volk.
- “État souverain” (= de soev staat): staat die geen andere macht boven zich heeft
- Republiek: res publica (publieke zaak).
- Vandaag: staat zonder koning met een president als staatshoofd.
- Mengvormen: republikeinse monarchie.
- Notie natie komt op, krijgt juridische betekenis in de FR → hele natie moet op een of andere manier zeggenschap krijgen.
- Idee van soevereiniteit van de wetgever ontwikkelt zich.
Middeleeuwen
- Moderne staat is opvolger van middeleeuwse standenvertegenwoordiging en het leenrecht
- Middeleeuwse samenleving is opgebouwd uit standen:
- Zij die strijden (eerste stand en adel)
- Zij die bidden (clerus)
- Zij die werken (derde stand) = al de rest (ldbers, lijfeigenen, diegene die id nijverheid werken, handelaars…)
- Vertegenwoordigers van die groepen vormen ‘de natie’.
- Vorst regeert bij gratie Gods, volgens contract met drie standen.
- Tirannie = verbreken contract → recht op weerstand.
- Contractuele opvattingen = gestoeld op het leenrecht: vorst stelt leen ter beschikking aan vazal in ruil voor raad en hulp.
- Persoonlijke relatie (privaatrecht) wordt publiekrechtelijk gegeven.
- Vazal kan stukken grond in leen geven aan achterleenmannen => koninkrijkjes binnen een koninkrijk (versnippering van territorium).
De notie ‘soevereiniteit’
- Vandaag veronderstelt de idee van ‘de staat’ drie dingen:
- Grondgebied.
- Bevolking.
- Overheidsinstellingen die gezag uitoefenen en erkend worden door die bevolking en andere staten.
- Externe soevereiniteit.
- Erkenning door andere staten.
- Interne soevereiniteit.
- Niet onderworpen aan andere staat.
- Vermogen om zichzelf te organiseren.
- Wil van de staat heeft voorrang op alle morele en fysieke personen.
- Monopolie op het creëren van recht + legitiem geweld.
- Verplichtingen van de staat:
- Handhaving van de openbare orde.
- Recht spreken.
- Nationale defensie.
- Economie doen draaien.
- Administratief bestuur.
- Soevereiniteit ≠ louter politiek, maar ook een kwestie van (publiek)recht:
- Internationaal recht: externe soev; garanties voor niet-inmenging.
- Nationale regeling: regeling die bepaalt hoe soevereiniteit wordt uitgeoefend, welke instellingen macht hebben en hoe ze worden gecontroleerd.
- Vandaag veronderstelt de idee van ‘de staat’ drie dingen:
Democratisering en constitutionalisering van de staat
- Idee van soevereiniteit komt er vanwege de behoefte aan stabiliteit (religieuze oorlogen 16de -17de eeuw burger beschermen).
- Opvattingen politieke denkers:
- Door hun theorie gaat dit wel dit effect hebben.
Jean Bodin en de absolute soevereiniteit
- Theoretiseert uitoefening van macht.
- Les six livres de la République (1576) als gevolg van de religieuze oorlogen in Frankrijk.
- Katholieken vs. protestanten (hugenoten = Fr prot).
- Leidt tot desintegratie maatschappij.
- Vorstelijk gezag aangetast: adellijke families die zich in de plaats stellen; inmenging buitenlandse machten.
- kath willen vrkomen dat ze w uitgemoord, dus beginnen zelf met prot te vermoorden.
- absolute macht in handen van de vorst: autoriteit komt van God, via de koning.
- Soevereiniteit is een absolute en eeuwige macht; geen enkele macht is superieur aan de soevereine macht, die niet vernietigd kan worden.
- Centralisatie van macht in de handen van één persoon heeft als doel: bescherming in situatie van oorlog en individuele onzekerheid.
- wet wordt een instrument van suprematie.
- soevereiniteit = eeuwige functie – publieke macht = een ambt, ≠ persoonlijk heerschappij
- Belang: in de feiten is vorstelijke macht niet absoluut – vorst was gebonden aan de lois fondamentales, die getoetst werden door de parlementen.
- Parlement de Paris: niemand kan afstand doen van de troon; niemand kan stukken van het kroondomein vervreemden; niemand kan zich laten opvolgen door een vrouw
- Parlement de Paris ontwikkelde ook rechtsbeginselen zoals het recht niet te worden afgetrokken van zijn natuurlijke rechter
- Parlement de Paris heeft recht om opmerkingen (remonstranties) te maken bij koninklijke wetgeving.
- Franse staat in een bijna voortdurende staat van bankroet: vorst kon niet zomaar doen wat hij wou.
- Theoretiseert uitoefening van macht.
Thomas Hobbes en de secularisering van de soevereine macht
- pestuitbraken en oorlog => (nog meer) chaos.
- Schrijft Leviathan (1651).
- had de burgeroorlog tussen royalisten en aanhangers van Parlement meegemaakt (1642-1651).
- legitimatie van staatsmacht door individuen (niet koning of God) - onderscheid tussen private macht / publieke macht.
- sociaal contract: sociaal contract = hypothetisch idee
- tussen gemeenschap en bestuurder(s), die gemeenschap uit de ‘natuurtoestand’ helpt.
- soeverein = Leviathan: ontleent zijn legitimiteit aan het contract waarbij de gemeenschap het recht om zichzelf te besturen volledig afstaat aan de soeverein.
- volk geeft macht voll af om nooit meer terug te krijgen.
- origine van de staatsmacht ≠ God, maar gemeenschap.
- soeverein = absolute en ondeelbare macht, maar nodig om macht te kunnen bewaren en uitoefenen – anders desintegratie.
John Locke en de verwerping van de absolute soevereiniteit
- Hoe individuele vrijheid te vrijwaren binnen een politiek lichaam dat ontstaan is uit de instemming van de individuen?
- Schrijft de Two Treatises of Government (1689).
- Locke sluit zich aan bij pleit van de liberale Whighs voor een constitutionele monarchie.
- overheid komt voort en steunt ten alle tijde op politieke vrijheid en instemming van het volk.
- Verschil met Hobbes:
- Locke = optimistischer: gelooft in inherente goedheid en rationaliteit v.d. mens.
- gemeenschap geeft macht niet ‘voor eeuwig’ af ➔ macht is van volk en blijft van volk: ook na moment van contracteren.
- Vertegenwoordigende bestuursinstellingen nodig, gericht op algemeen welzijn van de gemeenschap.
- Rechtsorde steunt niet op absolutisme, maar vertrekt vanuit essentiële natuurrechtelijke principes: gelijkheid & onafhankelijkheid vd mens + vrijheid vd mens.
- van belang dat de bestuurders onderworpen zijn aan de wetten.
- volk heeft het recht op verzet en vervangen overheid.
- Grote invloed van Locke in Engeland en de Verenigde Staten:
- In Engeland ontwikkelde de idee zich vanaf het einde van de 17de eeuw in de ‘King-in- Parliament’.
- Locke’s gedachtegoed ook van groot belang voor de Amerikaanse revolutionairen.
Montesquieu en opdeling van de soevereiniteit
- vrijheid van gemeenschap en burgers waarborgen door soevereine macht te beperken via de bestuurlijke instellingen.
- De l’Esprit des Lois (1748) opdelen van staatsmacht over institutionele actoren om een ‘evenwicht’ der machten te creëren.
- Rechtssociologische analyse van meerdere besturen: ontwaart drie regeringsvormen: democratie, aristocratie, monarchie.
- deze besturen kunnen tot een goed regime kunnen leiden waarin vrijheid van burgers gevrijwaard worden.
- Politiek relativisme: combinatie van regimes mogelijk zonder dat één enkel de beste is: ‘gemengd regime’ mogelijk: ~ weergave socio-econom elemnt sl.
- afhankelijk van klimaat, natuur en bevolkingsgroep.
- Regeringsvormen (democr.; aristocr.; monarch.) kunnen gecombineerd worden met een ‘kwalitatief’ criterium dat steunt op wettigheid:
- rechtstatelijke regimes (steunen op wettigheid) => goede regimes.
- despotische regimes (steunen op angst & willekeur en burgers willen zekerheid & bescherming) => slechte regimes.
- ‘Goede’ regimes kunnen afglijden naar despotisme, want ‘macht corrumpeert’: geen wettigheid en dus geen vrijheid: → machtenscheiding.
- ‘trias politica’: opsplitsing van staatsmacht in wetgevende macht, uitvoerende macht, rechterlijke macht.
- bedoeling = verhinderen van machtsconcentratie.
- spreiding van machten - machten moeten elkaar in evenwicht houden + nemen deel aan elkaars functies en controleren elkaar (checks & balances).
Jean-Jacques Rousseau en de democratische opvatting van de soevereiniteit
- Sociaal-contractdenker die de staat democratische wil legitimeren.
- Essentiële figuur in het kader van de Franse Revolutie (1789).
- soeverein = algemene wil van het volk (volonté générale du peuple): kan nooit worden toegeëigend door individu(en).
- volonté générale = een abstract concept dat het volk vertegenwoordigt: absoluut, ondeelbaar, altijd rechtvaardig.
- Zodra een particuliere wil tussenbeide komt: algemene wil is gecorrumpeerd + wil is niet langer democratisch.
Macht en soevereiniteit in de constitutionele staat
- E.J. Sieyès, Qu’est-ce que le Tiers-État?: herdenken van het politiek system (niet meer o.b.v. standenmaatschappij) + fundamenteel: herdenken vd sl (nationaal maken).
- Frankrijk (eind 18de eeuw – begin 19de eeuw).
- Sieyès en Constant willen weg geraken van ondeelbare en absolute macht + beperk soevereiniteit tot het strikt noodzakelijke.
- belang van representatie: o vertegenwoordiging van individuele belangen/spiegelt soc interactie tsn inval af o berust op beraadslaging en consensus waarin verkiezingen ess zijn.
- instit controle regering, instellingen: ter controle staatsmachten + belang publieke opinie: pers en pamflettisten.
- Frankrijk (begin 19e eeuw).
- waarborgen van de invididuele vrijheid (niet op grond van volkssoevereiniteit). o.b.v. soevereiniteit van de rede: staatsinstellingen besturen conform rede en rechtvaardigheid.
- alleen de meest bekwame burgers toelaten om bestuurlijke taken op zich te nemen.
- kiezen / verkozen worden is om effectieve waarborgen bieden ter bescherming van individuele rechten.
- via het idee van soevereiniteit wil men democratisering tegengaan.
- Duitsland (19e eeuw).
- Staatstheorie als soeverein persoon (Carré de Malberg = fictieve opvatting vd staat als soeverein persoon (orgaantheorie)).
- Frankrijk (20e eeuw): nationale soevereiniteit (Carré de Malberg).
Types staten
- Staatsvormen:
- Personele unie.
- Reële unie: unitaire staten; samengestelde staten (confederale en federale staten).
- Regeringsvormen:
- Autocratie.
- Oligarchie.
- Timocratie.
- Democratie.
- Hybride vormen: monarchie, republiek.
- Vormen van unie:
- Personele unie.
- Reële unie: unitaire / gecentraliseerde staten (bvb Fr); federale staten; confederaties of statenbonden.
- Regeringsvormen:
- Lange tijd dominatie van autocratische erfelijke monarchie.
- WO I brengt heel wat vorstelijke dynastieën ten val: monarchie / republiek.
- Democratievormen: directe, representatieve, semi-directe, deliberatieve.
- Representatieve democratie: meerderheidsprincipe vs. evenredigheidsprincipe (stabiele meerderheid om beleid door te voeren – forse breuken bij machtswissels vs versnippering /instabiliteit)
- Meerderheidsstelsel vs Evenredigheidsstelsel.
- Staatsvormen: