AW ZS2: Adaptatie - van acute naar chronische stress

1) tekst ‘conflicten van gedragssystemen’

2) emodule

LOs

1) verschil & verbinding tussen acute & chronische stress en relatie met adaptatie

  • onvermogen tot adaptatie aan niet-natuurlijke omgeving → (chronische) stress

    • als huidige omgeving onvoldoende mogelijkheid voor essentieel gedrag biedt of niet aansluit op eerdere levenservaringen → (chronische) stress → afwijkend gedrag bv verenplukken + stereotypisch gedrag

2) acute & chronische stressindicatoren + kan ze herkennen bij diersoorten

3) ken gedragsprobleem verenplukken bij papegaaien + verklaar aan de hand van natuurlijk gedrag

  • wilde papegaaien besteden veel tijd aan foerageergedrag (is een essentiele gedragsbehoefte), afwezigheid vd mogelijkheid te foerageren → (chronische) stress → verenplukken

a) acute stress: uitingsvormen, functionaliteit & adaptief gedrag

  • stress & adaptatie

    • reactie om aan te passen aan omgeving wordt geuit in gedrag (extern zichtbaar) & wordt ondersteund door fysiologie (intern)

      • gedrag in interactie met omgeving → fysiologische & mentale balans = homeostase & allostase

    • bv predatorsvermijdingsgedrag:

      • predator = acute stressor (waarop dier fysiologisch & gedragsmatig moet reageren)

      • dif species have dif strategieen als reactie op predator

        • vaak extra alert, uit alarm call, vluchtgedrag, aggressiviteit of stil houden

          • sommige bijzondere - bv opposum speelt dood

        • adaptiviteit vh systeem kan succesvol zijn of falen

      • continu blootstelling aan stressor + dier kan niet succesvol aanpassen, kan → chronische stresssituaties → incr risico op welzijnsaantasting

  • conflictgedrag

    • if 2 conflicterende gedragssystemen -/+ gelijke mate geactiveerd → genereren allebei gedrag, voorkomen elkaar tot tot uiting komen (= intern motivationeel conflict) → fase van besluiteloosheid waar meerdere gedragswaarschijnlijkheden mogelijk zijn → dier krijgt ruimte om keuze vh gedrag uit te stellen

      • dit uitstel kan in sommige situs heel functioneel zijn

    • wordt vaker gezien bij dieren in gevangenschap dan in het wild

      • wss bc in gevangenschap minder keuzemogelijkheden & omgevingsdynamiek. + some situations in gevangenschap permanent onoplosbaar

      • in wild vaak bij acute stress bij +ve & -ve spanning

    • 4 vormen conflictgedrag: 1) redirectiegedrag 2) ambivalent gedrag 3) overspronggedrag 4) intentiebewegingen

  • 1) redirectiegedrag

    • = motivationele output wordt omgericht naar een ander subject/object dan waardoor de motivatie primair is opgewekt

    • in groep dieren kan dit gedrag op individueel- of groepsniveau functionaliteit hebben:

      • individueel: afreageren kan destresserend werken

      • groep: eenmalige uiting vd opgehoopte stress door afreageren kan controleerbaarheid + voorspelbaarheid in groep vergroten

  • 2) ambivalent gedrag

    • functie ambivalent gedrag: beide gedragsopties blijven mogelijkheid

    • 2 typen:

      • a) successieve ambivalentie = gedrag vh ene gedragsysteem wisselt af met gedrag v ander gedragssysteem (na elkaar)

      • b) simultane ambivalentie = er vindt gedrag plaats dat gelijktijdig elementen van 2 gedragssystemen toont (alles tegelijk)

    • voorbeeld: foto roedel wolven rondom prooi

      • (wolf rechtsonder: vermijdingsgedrag)

      • wolf links/centraal: staart lager dan normaal, oren naar voren, tanden zichtbaar (bijtintentie), tong uit bek (mss stresstongelen), haren rechtop (borstelen = spanning) - allerlei signalen van zekerheid & onzekerheid

        • = voorbeeld simultane ambivalentie want laat tegelijk 2 gedragssystemen zien: angst/agressie, zeker/onzeker

  • 3) overspronggedrag

    • = als op hetzelfde moment 2 motivationele toestanden spelen, maar dit zich uit in totaal ander gedrag

      • bv als dier tegelijk wil aanvallen en vluchten maar dan bv poetsgedrag gaat vertonen

    • meerdere mogelijke redenen voor poetsgedrag

      • door opwinding → incr zweten+doorbloeding vd huid → jeuk/irritatie → poetsgedrag

      • desinhibitiehypothese: poetsgedrag is derderangsgedrag - als 2 prioriteitsgedragingen in conflict zijn en elkaar blokkeren → derde gedrag kan tot uiting komen

      • veel overspronggedragingen (nagelbijten/uitschudden) lijken ontstressend te werken (bc endorfines komen vrij)

  • 4) intentiebeweging of -houding

    • = dier laat een houding/beweging zien tijdens een beslismoment, waarbij motivaties net niet tot uiting komen

      • zijn voorbereidende bewegingen vh gedrag dat kan komen maar nog net niet tot uiting komt

      • bv: bek openen, kaak klapperen, vuist ballen, intentiepoot (1 poot in de lucht), pootschrapen stier

  • 3 adaptieve functies conflictgedrag:

    • uitvoeren van conflictgedrag is destresserend voor individu

    • het geeft (in)direct hogere voorspelbaarheid & controleerbaarheid op situatie

    • het geeft uitstel en daarom meer tijd/mogelijkheden om adequaat te reageren → heeft dus ook conflict-vermijdende functie

  • van adaptief → maladaptief

    • acute stress geeft tijdelijk pro-actieve opstelling/actiebereidheid die overlevingskans kan bevorderen

      • acute stress hoeft welzijn vh dier niet aan te tasten, als het dier de situatie maar onder controle krijgt (door fysio+gedrag aanpassingen)

    • als aanpassingen en/of reacties lange tijd niet leiden tot gewenst resultaat kan er chronische stress ontstaan, kan → maladaptief dysfunctioneel gedrag

  • stereotiep gedrag

    • = fysio/gedrags aanpassingen en/of reacties leiden niet tot gewenst resultaat in omgeving → alternatief gedrag dat wel kan

      • alternatief gedrag herhalen blijkt (intern) belonend te werken door vrijkomen lichaamseigen opiaten → dier voelt goed

    • oorzaak: chronisch niet uit kunnen voeren bepaalde gedragsmotivatie

    • conflictgedrag (+onderliggende oorzaak) kan bron zijn voor stereotypen

      • bv katten poetsen als overspronggedrag → kan ontwikkelen tot overpoetsen → kaalheid/alopecia/likgranulomen

  • stress compenserende gedragingen

    • = gedragingen waarbij endorfines vrijkomen → dier voelt beter

      • bv exploratie, +ve sociale interacties, poetsen, spel

    • ook positieve anticipatie + verheugen op beloning kan belonend zijn

      • hond die door clicker training beloning verwacht → gedragstransities zijn verhoogd. er is veel variabel gedrag. er zijn korte bouts en half afgemaakte gedragselementen

  • acute autonome responsen op stress → stressindicatoren:

    • pupilgrootte vergroot

    • pilo-erectie (borstelen) treed op

    • gapen (mss door O2 tekort of overgang van inactief→actief)

    • hijgen

    • speekselen

    • niezen

    • urineren (goed zichtbaar bij schaap)

    • stressvlekken (bij mens)

summary deel A

  • STRESS → ADAPTATIE

    • (stressor uit) omgeving → dier reageert daarop (individuen dif reacties)

    • reactie om aan te passen aan omgeving wordt geuit in gedrag (extern zichtbaar) & wordt ondersteund door fysiologie (intern)

      • gedrag in interactie met omgeving → fysiologische & mentale balans = homeostase & allostase

    • acute autonome responsen op stress → stressindicatoren:

      • pupilgrootte vergroot

      • pilo-erectie (borstelen) treed op

      • gapen (mss door O2 tekort of overgang van inactief→actief)

      • hijgen

      • speekselen

      • niezen

      • urineren (goed zichtbaar bij schaap)

      • stressvlekken (bij mens)

  • CONFLICTGEDRAG

    • if 2 conflicterende gedragssystemen -/+ gelijke mate geactiveerd → genereren allebei gedrag, voorkomen elkaar tot tot uiting komen (= intern motivationeel conflict) → fase van besluiteloosheid waar meerdere gedragswaarschijnlijkheden mogelijk zijn → dier krijgt ruimte om keuze vh gedrag uit te stellen

      • dit uitstel kan in sommige situs heel functioneel zijn

    • wordt vaker gezien bij dieren in gevangenschap dan in het wild

    • 4 vormen conflictgedrag: 1) redirectiegedrag 2) ambivalent gedrag 3) overspronggedrag 4) intentiebewegingen

      • 1) redirectiegedrag = motivationele output wordt omgericht naar een ander subject/object dan waardoor de motivatie primair is opgewekt

      • 2) ambivalent gedrag =

        • a) successieve ambivalentie = gedrag vh ene gedragsysteem wisselt af met gedrag vd ander (na elkaar)

        • b) simultane ambivalentie = gelijktijdig elementen van 2 gedragssystemen toont (alles tegelijk)

      • 3) overspronggedrag = op hetzelfde moment spelen 2 motivationele toestanden, maar dit uit zich in totaal ander gedrag

      • 4) intentiebewegingen = dier laat een voorbereidende houding/beweging zien tijdens een beslismoment, waarbij motivaties (nog) net niet tot uiting komen

    • 3 adaptieve functies conflictgedrag:

      • het is destresserend voor individu

      • het geeft (in)direct hogere voorspelbaarheid & controleerbaarheid op situatie

      • het geeft uitstel en daarom meer tijd/mogelijkheden om adequaat te reageren → heeft dus ook conflict-vermijdende functie

    • adaptief kan maladaptief worden

      • acute stress hoeft welzijn niet aan te tasten, als het dier door aanpassingen de situatie maar onder controle krijgt

      • als aanpassingen lang niet tot gewenst resultaat leiden kan → chronische stress, kan → maladaptief dysfunctioneel gedrag

    • conflictgedrag (+onderliggende oorzaak) kan bron zijn voor stereotypen

      • chronisch niet uit kunnen voeren van gedragsmotivatie → alternatief gedrag dat wel kan

      • herhaling alternatief gedrag → vrijkomen opiaten → dier voelt zich goed dus belonende werking → kan inslijten → vormt stereotypie

    • stress compenserende gedragingen = gedragingen waarbij endorfines vrijkomen → dier voelt beter

      • positieve anticipatie + verheugen op beloning kan al belonend zijn

b) gedragsproblemen bij papegaaien als gevolg van onvermogen tot adaptatie

papegaaien laten dif gedragingen zien als gevolg v onvermogen tot adaptatie

  • verenplukken & veerbeschadigend gedrag

    • = papegaai papegaai brengt zichzelf schade toe aan veren door bijten/kauwen/peuteren/uittrekken vd veren → kale plekken

    • komt bij 1/6 tot 1/10 gezelschapspapegaaien voor

      • kaketoes & grijze roodstaart papegaai predispositie

    • zijn de foto’s passend bij het beeld van verenplukken?

      • kaal hoofd → kan zelf niet plukken → geen verenplukker

      • diverse plekken waar vogel zelf met snavel bij kan (borst, buik, nek, vleugels, poten) kaal of dons → verenplukker

        • dus geen kale kop!

        • dek & donsveren kunnen worden uitgetrokken, staart-&vleugelpennen in principe niet

      • uitgebreide kaalheid (incl kop) + huidafwijkingen → geen verenplukker, mss zelfbeschadiging maar sws meer

    • oorzaken verenplukken:

      • onvermogen tot adaptatie aan niet-natuurlijke omgeving

      • factoren voor gevoeligheid verenplukken individuen:

        • ecologie vd soort (nature) - gerelateerd aan:

          • intelligentie, sociale organisatie, complexiteit foerageergedrag

        • levenservaringen (nurture) - vooral in eerste levensfase

      • als huidige omgeving onvoldoende mogelijkheid voor essentieel gedrag biedt of niet aansluit op eerdere levenservaringen → (chronische) stress → afwijkend gedrag bv verenplukken + stereotypisch gedrag

  • automutilatie

    • soms gaat verenplukken gepaard met beschadiging huid+ onderliggende weefsels = automutilatie

    • vaak specifiek deel vh lichaam - dif deel = dif soortpredispositie

    • oorzaak: onderliggend med probleem of (predisponerend) trauma

      • dachten eerst psychologische oorzaak net als verenplukken - weten door CT dat dat niet zo is

      • → andere diagnostische aanpak met focus op vaststellen+behandelen onderliggende medische oorzaak

  • gedrag papegaaien in het wild vs gevangenschap

    • overeenkomsten

      • wilde rusten hoog in de bomen - gevangen zitten in kooi vaak op een hoge plaats

      • wilde trekken veel samen op - gevangen proberen aandacht van persoon te trekken

    • verschillen

      • gevangenschap: slapen veel, dcr actief, korter aan t eten

      • wilde: lang bezig met foerageren, wegvliegen in grote getallen (predatie voorkomen)

  • eerste levensfase

    • vogels 1e levensfase groot onderscheid nestvlieders vs nestblijvers

      • nestblijvers (papegaaien): worden naakt + blind geboren

      • gaan (al in ei) hechte ouder-kind binding aan

      • naast p/maternal imprinting ook filial & sexual imprinting

    • nestperiode (= rond uitvliegen & spenen) + tijd daarna (hoe lang is soortafhankelijk) draait om socialisatiefase - gevoelige leerperiode

      • kuiken leert dan soorteigen gedrag + onderscheiden of situatie gevaarlijk is of niet

      • periode cruciale rol in ontwikkeling aanpassingsvermogen

    • gehouden situatie groot contrast met wild - kuiken/ei snel weggehaald bij ouders en met hand opgevoed (2017 illegaal in NL)

      • vanaf 6wkn coparenting → dubbele socialisatie → papegaai went aan soortgenoten & mens

  • sociale structuur

    • leven in groepsverband: varierend van paartjes tot familiegroepen

      • voordelen groepsverband: betere toegang tot partners + betere verdediging territorium & predatoren + soms efficientere exploitatie van voedselbronnen

    • verschillen sociale structuur gehouden papegaaien

      • vaak met hand opgevoed ivp door ouders → affects imprinting/socialisatie

      • vaak in solitaire huisvesting ipv groepsverband

      • geen noodzaak foerageren

      • geen mogelijkheid vliegen

      • zitten vaak in voorspelbare omgeving

  • tijdsbesteding

    • wilde papegaairen besteden tijd aan: rusten/slapen, sociale interactie, zelfverzorging en veel aan eten(+water) zoeken

    • afwezigheid mogelijkheid foerageren = oorzaak verenplukken

      • foerageergedrag = essentiele gedragsbehoefte

      • wilde papegaai 6uur/dag, gevangen 30-72min

  • oplossingsrichtingen: omgevingsverrijking → dcr+voorkomt verenplukken

    • hoger cognitief vermogen → meer/moeilijkere verrijking nodig

    • kan omgevingverrijking baseren op natuurlijke omgeving

    • dmv voerpuzzels → foerageergedrag → langer bezig + voldoen beter aan kun natuurlijke behoefte