LES 2 West en oost op nieuwe wegen - groepswerk MO 24-25
Pagina 1: Onderzoeksvraag & Referentiekader
Onderzoeksvraag
Hoe veranderde de Romeinse samenleving in het WESTEN in de overgang van de klassieke oudheid naar de middeleeuwen?
Situering in het Referentiekader RR
Tijd:
Noteer de correcte tijdvakken op de tijdlijn:
Klassieke Oudheid (K.O.)
Middeleeuwen (M.E.)
Plaats het nummer van de kaart op de tijdlijn.
Rijken:
Romeinse Rijk (RR)
West-Romeinse Rijk (WRR)
Oost-Romeinse Rijk (ORR)
Germaanse Rijken (G)
Domein: Politiek
Kaart 1: Ongeschreven materiële bron / ongeschreven visuele bron
Pagina 2: Oorzaken van Verandering
2.1 Natuurlijke Factor
Temperatuur Evolutie (D1 p16):
1e en 2e eeuw: Romeinse zomer, hogere gemiddelde temperatuur.
Overgang naar middeleeuwse herfst: daling van gemiddelde temperatuur.
Crisis in het Romeinse grootrijk, politieke verdeeldheid in het westen.
Gevolgen van klimaatverslechtering:
Minder landbouwopbrengsten
Meer hongersnoden
Meer ziektes
Stijgend sterftecijfer
Afnemend bevolkingsaantal
Besluit
In de overgang van KO naar ME is er een koude periode.
Pagina 3: Economische Factor
2.2 Economische Factor
Landbouwproductie:
KO: 1 kg zaad = 4 kg oogst.
9e eeuw: 1 kg zaad = 2.7 kg oogst.
Dalende landbouwopbrengsten door klimaatverslechtering (kouder en droger).
Gevolgen:
Minder voedsel
Meer hongersnoden
Meer ziektes
Stijgend sterftecijfer
Afnemend bevolkingsaantal
Minder belastinginkomsten
Minder overschotten
Minder handelsverkeer
Ruilhandel overheerst
Kleinschalige landbouweconomie (autarkie)
Toenemende bevolking op het platteland
Besluit
In de overgang van KO naar ME is het Romeinse rijk in economische crisis.
Pagina 4: Sociale Factor
2.3 Sociale Factor
Kaart D2 blz 16:
Roze = Romeinse Grootrijk
Groen = gebied van de Germanen
Groene pijlen = verspreiding van de Germanen.
Situering:
Rond 600 v.C.: Germaanse stammen in Denemarken/Noorwegen/Polen/ Zweden.
Omstreeks 200 n.C.: Germanen aan de grenzen van het Romeinse rijk (Rijn en Donau).
4e en 5e eeuw: migratie van Germaanse stammen naar het Romeinse rijk, met name naar WRR.
Oorzaak van Migratie:
Klimaatverslechtering: kouder en droger.
Gevolgen van Migraties:
Toenemende druk aan de grenzen.
Afnemende veiligheid in het Romeinse rijk.
Duurzame verdediging aan de grenzen.
Stijgende populariteit van generaals (Soldatenkeizers).
Afnemende macht van Romeinse keizers.
Politieke ontevredenheid en economische achteruitgang.
Besluit
In de overgang van KO naar ME zijn er grootschalige migraties van Germaanse stammen in het Romeinse Rijk.
Pagina 5: Politieke Factor
2.4 Politieke Factor
Bron uit Memoria 2:
1ste en 2de eeuw: 6 keizers die lang aan de macht waren.
Overgang KO naar ME: 27 keizers die elkaar snel opvolgen, met korte regeerperiodes.
Onderlinge machtsstrijd en hoge mortaliteit onder keizers:
Slechts 15% stierf een natuurlijke dood.
Gevolgen:
Instabiel en chaotisch politiek bestuur.
Kosten van verdediging stijgen door de druk aan de grenzen.
Noodzaak van hogere belastingen en grotere defensie-uitgaven.
Meer Germaanse migraties.
Toenemend politiek geweld en minder macht voor Romeinse keizers.
Pagina 6: Eindbesluit
Conclusie
De ondergang van het Romeinse grootrijk in de 3de – 6de eeuw was het gevolg van een langdurige evolutie door verschillende factoren die elkaar versterken.
Samenvatting van de Factoren:
Natuurlijk: Klimaatverslechtering (kouder en droger)
Economisch: Dalende landbouwopbrengsten
Sociaal: Grootschalige migraties
Politiek: Instabiel, chaotisch bestuur
Oefening
Fluoresceer de juiste antwoorden:
1ste - 2de eeuw: eenheid rond de Middellandse Zee, bloei.
Vanaf 395: verdeeldheid, crisis, Germaanse stammen aan de macht.
Pagina 7: Gevolgen van Verandering
3. Gevolgen van Verandering in de Samenleving
Opdracht: Bestudeer document D4/1 p18.
Vergelijking: 1ste – 2de eeuw vs. 3de - 6de eeuw
Bloeiperiode RR vs. Crisisperiode RR.
Vrede in het rijk vs. Chaos in het rijk.
Veilig vs. Onveilig.
Geen verdedigingsmuren vs. Stevige verdedigingsmuren.
Bloeiende handel vs. Afname van handel.
Bevolking trekt naar de stad vs. Bevolking trekt naar het platteland.
Grote steden vs. Kleine steden.
Territoriale eenheid vs. Territoriale verdeeldheid.
Oefening
Maak oefening 3 blz 19.