Gedetailleerde Examenwoordenschat Duits-Nederlands
Fundamentele Examenwoordenschat Duits-Nederlands: Termen 1 tot 25
De kern van de examenwoordenschat Duits begint met een reeks essentiele werkwoorden en begrippen die vaak de richting van een tekst bepalen. De term ablehnen (1) betekent afwijzen, terwijl Absicht (2) verwijst naar een specifieke bedoeling. Het woord allerdings (3) is een veelvuldig gebruikte conjunctie die echter of weliswaar betekent. Voor processen die niet plotseling maar stap voor stap verlopen, gebruikt men allmdhlich (4), wat geleidelijk betekent. Het erkennen van feiten of prestaties wordt aangeduid met anerkennen (5). In de context van scholing en werk is Ausbildung (6) de term voor opleiding. Om aanvullende informatie te geven, gebruikt men het bijwoord Au&erdem (7), wat bovendien betekent. Wanneer iets niet standaard maar uitzonderlijk is, spreekt men van Au&ergewfhnlich (8), oftewel buitengewoon.
Het maken van keuzes en het selecteren van opties vormt een belangrijk onderdeel van de woordenschat. Auswahl (9) betekent keuze, terwijl het bijbehorende werkwoord Auswdhlen (10) staat voor uitkiezen. Het proces van interactie en vervanging wordt beschreven met austauschen (11), wat uitwisselen betekent. In een argumentatieve context zijn de volgende termen cruciaal: Bedingung (12) voor voorwaarde en Behauptung (13) voor bewering. Het tijdstip waarop iets al heeft plaatsgevonden wordt gemarkeerd door bereits (14), wat simpelweg al betekent. Bij het nemen van beslissingen moet men ber&cksichtigen (15), oftewel rekening houden met bepaalde factoren. Grensstelling wordt uitgedrukt door beschrdnken (16), wat beperken betekent, en de validatie van informatie gebeurt via bestdtigen (17), wat bevestigen betekent.
De laatste set in deze eerste categorie richt zich op evaluatie en duiding. Bewerten (18) betekent beoordelen, een essentiele vaardigheid bij tekstverklaring. Wanneer men iets nodig heeft, gebruikt men het werkwoord brauchen (19). Het voegwoord denn (20) geeft een reden aan en betekent want. Voor statistische gegevens gebruikt men durchschnittlich (21) voor gemiddeld. Helderheid in een tekst wordt vaak aangegeven met eindeutig (22), wat duidelijk betekent. Wanneer er sprake is van een limitatie, gebruikt men Einschrdnkung (23), wat beperking betekent. Iets dat uniek is in zijn soort wordt einzigartig (24) genoemd. Ten slotte is er empfehlenswert (25), wat aan te bevelen betekent.
Besluitvorming, Ontwikkeling en Maatschappelijke Context: Termen 26 tot 50
In de voortzetting van de lijst komen termen aan bod die te maken hebben met actie en de samenleving. Entscheiden (26) betekent besluiten. Wanneer verwachtingen niet worden waargemaakt, ontstaat enttduschen (27), wat teleurstellen betekent. Het bereiken van doelen wordt beschreven als erfolgreich (28), oftewel succesvol. Om concepten te verduidelijken gebruikt de auteur verldutern (29), wat uitleggen betekent. De afsluiting van een betoog wordt gemarkeerd door het Fazit (30), de conclusie. Het ontbreken van elementen wordt aangeduid met fehlen (31). Er is een subtiel verschil tussen fordern (32), wat eisen betekent, en fdrdern (33), wat bevorderen betekent.
De vooruitgang in een bepaalde sector of situatie wordt Fortschritt (34) genoemd. Gebeurtenissen die niet altijd maar af en toe plaatsvinden, zijn gelegentlich (35). De context waarin wij leven is de Gesellschaft (36), de samenleving. Juridische kaders worden bepaald door het Gesetz (37), de wet. Een verklaring voor een gebeurtenis is de Grund (38), de reden. Wanneer iets fundamenteel geldt, is het grundsdtzlich (39), wat in principe betekent. Een moeilijke maar interessante opgave is een Herausforderung (40), een uitdaging. Het totaaloverzicht wordt gegeven met insgesamt (41), wat in totaal betekent. Tegenstellingen worden vaak ingeleid met jedoch (42), wat echter betekent.
Sterke ontkenningen en tijdsaanduidingen vormen de afsluiting van dit deel. Keineswegs (43) betekent absoluut niet. Toekomstige situaties worden aangeduid met k&nftig (44), wat voortaan betekent, terwijl zaken die pas geleden zijn gebeurd k&rzlich (45) oftewel onlangs zijn. Planning voor de verre toekomst is langfristig (46), op lange termijn. De financiele of fysieke mogelijkheid om iets te doen is leisten kdnnen (47), oftewel zich kunnen permitteren. Onregelmatige frequentie wordt aangeduid met manchmal (48), wat soms betekent. Het treffen van een Ma&nahme (49) betekent het nemen van een maatregel. Tot slot markeert mittlerweile (50) de huidige status van een situatie: inmiddels.
Bewijsvoering, Dagelijks Leven en Werkwoorden: Termen 51 tot 75
Het leveren van bewijs en het gebruik van middelen staat centraal in deze sectie. Nachweisen (51) betekent bewijzen. Het praktische gebruik van objecten of kansen is nutzen (52), oftewel gebruiken. Wanneer iets logisch voortvloeit uit de situatie, is het offenbar (53), wat blijkbaar betekent. Zaken die gebonden zijn aan een specifieke plek zijn drtlich (54), oftewel plaatselijk. Een praktische leerperiode in een bedrijf is een Praktikum (55), een stage. Tijdsbewustzijn wordt uitgedrukt door p&nktlich (56), wat stipt betekent. De herkomst van informatie is de Quelle (57), de bron. Financiele voordelen worden aangeduid met Rabatt (58), wat korting betekent. Het waarderen van iets of iemand is Schdtzen (59).
In de publieke ruimte en persoonlijke interactie vinden we Schaufenster (60) voor etalage en Schlagzeile (61) voor de krantenkop. Zichzelf in veiligheid brengen is sich sch&tzen (62), wat zich beschermen betekent. Wanneer een taak moeizaam gaat, gebruikt men schwerfallen (63), oftewel moeite hebben met. Een daling in waarden is een Senkung (64), een verlaging. Voorwaardelijkheid wordt uitgedrukt met sofern (65), wat in zoverre betekent. Onmiddellijke actie is sofort (66). Versterking van een argument gebeurt met sogar (67), wat zelfs betekent. Als men een alternatief kiest, gebeurt dat stattdessen (68), oftewel in plaats daarvan.
De werkomgeving en dagelijkse realiteit komen kijken bij de volgende termen. Stelle (69) verwijst naar een baan. Financiele afdrachten aan de staat zijn Steuer (70), de belasting. Een route of traject is een Strecke (71). Bevestiging van de werkelijkheid gebeurt met tatsdchlich (72), wat inderdaad betekent. Het be&indigen van een relatie of verbinding is sich trennen (73), wat uit elkaar gaan betekent. Ondanks een bepaalde omstandigheid voert men een actie uit: trotzdem (74), wat toch betekent. Het verifieren van gegevens is &berpr&fen (75), wat controleren betekent.
Bedrijfsvoering, Consumptie en Slottermen: Termen 76 tot 100
Diversiteit en organisatie vormen de hoofdmoot van deze laatste categorie. Unterschiedlich (76) betekent verschillend. Het opzetten van evenementen of activiteiten is veranstalten (77), wat organiseren betekent. De koper van goederen is de Verbraucher (78), de consument. Het wereldkundig maken van informatie is verdffentlichen (79), oftewel publiceren. Wanneer volumes of aantallen omlaag gaan, spreekt men van verringern (80), wat verminderen betekent. Een actie die niet de bedoeling was, is versehentlich (81), wat per ongeluk betekent. Een poging ondernemen is versuchen (82), oftewel proberen. Iets of iemand representeren is vertreten (83), oftewel vertegenwoordigen.
Het inzetten van middelen gebeurt via verwenden (84), wat gebruiken betekent. De aanwezigheid van veel verschillende soorten is Vielfalt (85), oftewel verscheidenheid. Een noodzakelijke voorwaarde vooraf is de Voraussetzung (86). Een idee opperen is vorschlagen (87), wat voorstellen betekent. Het maken van een keuze wordt ook wel Wahl (88) genoemd. Gedurende een proces gebruikt men Wdhrend (89) voor terwijl. Om een betoog voort te zetten gebruikt men Weiterhin (90), wat bovendien betekent. Het eindpunt van een streven is het Ziel (91), het doel. Andere synoniemen voor toevoegingen zijn Zudem (92) voor bovendien en zundchst (93) voor allereerst.
De lijst eindigt met kwalificaties en overkoepelende termen. Zustdndig (94) betekent verantwoordelijk zijn voor iets. Iemand op wie je kunt rekenen is zuverldssig (95), oftewel betrouwbaar. Het woord zwar (96) betekent weliswaar en wordt vaak gevolgd door een tegenwerping. Het vermogen om met situaties om te gaan wordt beschreven als zurecht kommen (97). De gehele som van elementen wordt weergegeven met insgesamt (98), wat in totaal betekent. Belangrijke duplicaten in de lijst voor extra nadruk zijn fdrdern (99), hier vertaald als ondersteunen, en entscheiden (100), wat beslissen betekent.