vocabulary (copy)
Unit 1
Leisure activities:
to go out with friends → uitgaan met vrienden
to go to evening classes → naar avondlessen gaan
to go to the cinema → naar de bioscoop gaan
to go to the gym →naar de sportschool gaan
to listen to music → naar muziek luisteren
to listen to the radio → naar de radio luisteren
to play a musical instrument → een muziekinstrument bespelen
to play computer games → computerspelletjes spelen
to play sport → een sport beoefenen / sporten
to use the internet → het internet gebruiken
to watch live music → live muziek bekijken
to watch TV → TV kijken
\ Sport and games:
a ball → een bal
a champion → een kampioen
equipment → uitrusting
a games console →een gameconsole
to hit a ball → een bal slaan
to kick a ball → een bal trappen
a player → een speler
a racket → een raket
to score a goal → een doelpunt scoren/maken
a team → een team
to throw a ball → een bal gooien
a winner → een winnaar
\ Other:
an ambition → een ambitie
to be scared off → afschrikken
a board game → een bordspel
to do yoga → yoga doen
favourite → favoriet
free time → vrije tijd
a hobby → een hobby
an injury → een blessure
a music channel → een muziekzender
a nickname → een bijnaam
a number game → een getallenspel
a professional musician → een professionele muzikant
a puzzle → een puzzel
a survey → een enquête
to train → trainen
a word game → een woordspel
\
Unit 2
Words to describe feelings:
angry → boos
bored → verveeld
disappointed → teleurgesteld
embarrassed → verlegen
excited → opgewonden
in a bad mood → in een slecht humeur
in a good mood → in een goed humeur
relaxed → ontspannen
scared → bang
stressed → gestrest
surprised → verrast
worried → bezorgd
\ Other:
an advert → een advertentie
analogue/digital/satellite TV → analoge/digitale/satteliete TV
to be on business → op zakenreis zijn
a DVD player → en dvd-speler
an emotion → een emotie
to escape → ontsnappen
to go abroad → naar het buitenland gaan
to go on holiday → op vakantie gaan
to go on a business trip → op zakenreis gaan
to go sightseeing → bezienswaardigheden gaan bekijken
an immigration officer → een immigratieambtenaar
to invent → verzinnen
lonely → eenzaam
mother tongue → moedertaal
a motorway → een snelweg
a passport stamp → een paspoortstempel
a space tourist → een ruimtetoerist (een niet-professionele astronaut)
to transmit → doorgeven
a tsunami → een tsunami
a TV programme/channel → een TV programma/zender
a video recorder → een videorecorder
to win a(n) gold medal/award → om een gouden medaille/trofee te winnen
\
Unit 3
Daily routines:
to fall asleep → in slaap vallen
to feel energetic → energiek voelen
to feel tired → zich moe voelen
to finish school/work → school/werk afmaken
to get up → opstaan
to go off (alarm clock) → afgaan (wekker)
to go to bed → naar bed gaan
to have a bath/shower → een bad nemen/douchen
to have a cup of tea/coffee and something to eat → een kopje thee/koffie drinken en iets eten
to have a nap → een dutje doen
to relax at home → thuis ontspannen
to wake up → wakker worden
\ Jobs:
an accountant → een accountant
a cook → een kok
a doctor → een dokter
a judge → een rechter
a nanny → een oppas
a plumber → een loodgieter
a taxi driver → een taxichauffeur
a translator → een vertaler
a barman → een barman
a dentist → een tandarts
\ Other:
to concentrate → conncentreren
an exam → een examen
a ghost → een geest
to have a break → even uitrusten / een pauze hebben
haunted → achtervolgd
personal qualities → persoonlijke kwaliteiten
to revise → herzien
a revision timetable → een revisierooster
a reward → een beloning
a routine → een routine
a short sleeper → een korte slaper
special qualifications → bijzondere kwalificaties
a story-teller → een verhalenverteller
a study buddy → een studiemaatje
a subject → een onderwerp
a tour guide → een gids
to wear a uniform → een uniform dragen
to work long hours → lange uren werken / overuren werken
\
Unit 4
Verb phrases for special days:
to buy flowers → bloemen kopen
to dress up → verkleden
to eat out → uit eten
to exchange presents → cadeautjes uitwisselen
to have a day off school/work → een vrije dag van school/werk hebben
to invite people into your home → mensen bij u thuis uit te nodigen
to make a cake → een taart/cake maken
to prepare a special meal → een speciale maaltijd bereiden
to send cards to people → kaarten sturen naar mensen
to visit relatives → familieleden te bezoeken
\ Descriptive adjectives:
boiling → koken
freezing → bevriezen
noisy → luidruchtig
delicious → heerlijk
peaceful → vredig, kalm
exciting → spannend
spicy → pittig/pikant
tasty → lekker
friendly → vriendelijk
\ Other:
an anniversary → een jubileum
a boat race → een botenrace
a bonfire → een vreugdevuur
candles → kaarsen
to celebrate → vieren
a celebration → een feest
a ceremony → een ceremonie
a festival → een festival
a firework display → een vuurwerkshow
a former president → een voormalig president
a nightclub → een nachtclub
to pass your driving test → slagen voor je rijexamen
to raise money → geld inzamelen
a real treat → een echte traktatie
to respect → respecteren
a special occasion → een speciale gelegenheid
a telethon → een telethon
a three-day weekend → een driedaags weekend
tinned vegetables → groenten in blik
traditional → traditioneel
a wedding → een huwelijk
\
Unit 5
Physical appearance:
attractive → aantrekkelijk
bald → kaal
a beard → een baard
blonde hair → blond haar
brown hair → bruin haar
clean-shaven → gladgeschoren
curly hair → krullend haar
dark skin → donkere huid
dyed hair → geverfd haar
fair skin → donkere huid
glasses → bril
lipstick → lippenstift
a moustache → een snor
pale skin → bleke huid
piercings → piercings
short hair → kort haar
slim → slank
tall → lang
a tattoo → een tattoo
straight hair → steil haar
wavy hair → golvend haar
\ Parts of the body:
an arm → een arm
an ear → een oor
an elbow → een elleboog
an eye → een oog
eyebrow → wenkbrauw
a finger → een vinger
a fingernail → een vingernagel
a foot → een voet
a hand → een hand
a head → een hoofd
a knee → een knie
a leg → een been
a mouth → een mond
a neck → een nek
a nose → een neus
a shoulder → een schouder
a thumb → een duim
a toe → een teen
a wrist → een pols
\
Unit 6
Going on holiday:
a camera → een camera
credit cards → bankkaarten
foreign currency → buitenlandse munteenheid
a guidebook → een gids (boek)
a passport → een paspoort
a phrasebook → een taalgids (boek)
plane tickets → vliegtuigticketten
suncream → zonnecréme
sunglasses → zonnebril
a swimsuit → een badpak
a toothbrush → een tandenborstel
toothpaste → tandpasta
a towel → een handdoek
travel sickness pills → reisziekte pillen
\ Describing holidays:
beautiful scenery → prachtige landschappen
comfortable accommodation → comfortabele accommodatie (= comfortabele overnachtings- en uitgaansmogelijkheden zoals campings, bungalowparken, hotels en restaurants)
a crowded airport lounge → een drukke luchthavenlounge
a delayed flight → een vertraagde vlucht
an interesting excursion → een interessante excursie
a long queue → een lange rij
a luxurious dining car → een luxe restauratiewagen
a peaceful lake → een kalm meer
a perfect holiday → een perfecte vakantie
\ Other:
average temperature → gemiddelde temperatuur
to check in online → online inchecken
first class → eerste klas
to get a visa → een visa krijgen
to get foreign currency → buitenlandse munteenheden krijgen
to go camping → gaan kamperen
to go canoeing → gaan kanoën
a holidaymaker → een vakantieganger
a last-minute person → een last-minute persoon (iemand die zijn vakantie niet maanden van te voren boekt maar slechts enkele weken of dagen voor vertrek)
to order a taxi → een taxi bestellen
an organised person → een georganiseerd persoon
a reservation → een reservering
a self-catering person → een zelfservice persoon
a suitcase → een koffer
to sunbathe → zonnebaden
a time zone → een tijdzone
a train journey → een treinreis
\
Unit 7
Verb phrases about ambitions:
to appear on television → op televisie verschijnen
to become famous → beroemd worden
to buy a house or flat → een huis of appartement kopen
to earn 1 million euros → 1 miljoen euro verdienen
to get married → trouwen
to write a book → een boek schrijven
to go abroad → naar het buitenland gaan
to go round the world → de wereld rondgaan
to go to the university → naar de universiteit gaan
to have children → kinderen krijgen
to learn how to drive → om te leren autorijden
to start your own business → je eigen bedrijf te starten
\ The internet:
a blog → een blog
to download → downloaden
a hit → een hit
an online community → een online gemeenschap
to post → plaatsen
to search → (op)zoeken
a social-networking site → een sociale netwerksite
to upload → uploaden
a video-sharing site → een site voor het delen van video's
a website → een website
\ Other:
an achievement → een prestatie
an ambition → een ambitie
to be confident → zelfverzekerd zijn
to be interested in business → geïnteresseerd zijn in zaken
a compute game designer → een computerspelontwerper
confidence → vertrouwen
a dream → een droom
an ecologist → een ecoloog
a film addict → een filmverslaafde
inspiration → inspiratie
to inspire → inspireren
an internet user → een internetgebruiker
a (multi-)millionaire → een (multi)miljonair
to perform in public → optreden in het openbaar
to set your goals high →om je doelen hoog te stellen
to sponsor → sponseren
a volunteer → een vrijwilliger
\
Unit 8
City life:
carbon-neutral → klimaatneutraal
a city centre → een stadscentrum
a cycle lane → een fietspad
green space → groen ruimte (=biedt mensen een plek om te bewegen en in contact te komen met de natuurlijke omgeving)
a high-rise apartment block → een hoog flatgebouw
a one-way street → eenrichtingsverkeer/eenrichtingsstraat
a pedestrian zone → een voetgangersgebied
public transport → openbaar vervoer
a recycling bin → een prullenbak
a residential area → een woonwijk
a shopping mall → een winkelcentrum
traffic congestion → verkeersopstoppingen
traffic lights → verkeerslichten
\ Geographical features:
a beach → een strand
a coast → een kust
a desert → een woestijn
a forest → een bos
a hill → een heuvel
an island → een eiland
a mountain → een berg
a mountain range → een bergketen
an ocean → een oceaan
a river → een rivier
a sea → een zee
a valley → een vallei
\ Other:
a capital city → een hoofdstad
climate → klimaat
a continent → een continent
fresh water → drinkbaar water
a home town → een thuisstad
in the (west) of → in het (westen) van
on the (north) coast → aan de (noord)kust
permanently → permanent
remote → op afstand
situated → gelegen
a solar farm → een zonne-energie park
spectacular scenery → spectaculair landschap
temperature → temperatuur
(un)inhabited → (on)bewoond
unspoilt → ongerept (=door niemand aangeraakt of veranderd)
\
Unit 9
Modern equipment:
air conditioning → airconditioning (=airco)
central heating → centrale verwarming (= chauffage)
a computer → een computer
a dishwasher → een afwasmachine
a flat screen television → een flatscreen televisie (=een televisie- of computerscherm met een vlak kijkoppervlak)
a freezer → een vriezer
a fridge → een frigo
a microwave oven → een microgolfoven
an oven → een oven
a shower → een douche
a vacuum cleaner → een stofzuiger
a washing machine → een wasmachine
a wi-fi router → een wifi-router (=zorgt ervoor dat je het internet thuis op meerdere apparaten kunt gebruiken)
\ Adjectives for describing places:
an attractive house → een aantrekkelijk huis
a comfortable room → een comfortabele kamer
a dark living room → een donkere woonkamer
a large bedroom → een grote slaapkamer
a light kitchen → een lichte keuken
a lively café → een levendig café
a modern kitchen → een moderne keuken
an old-fashioned house → een ouderwets huis
a private garden → een eigen tuin
a quiet street → een stille straat
a shady garden → een schaduwrijke tuin
a small bathroom → een kleine badkamer
a spacious kitchen → een ruime keuken
a sunny room → een zonnige kamer
\ Other:
air freshener → luchtverfrisser
a bottle of bleach → een fles bleekmiddel
a cave house → een grotwoning
furniture → meubels
messy → rommelig
modern interior → modern innterieur
to move house → verhuizen
a priority → een prioriteit
a rubbish bag → een vuilniszak
running water → stromend water
a shower curtain → een douche gordijn
time-consuming → tijdrovend (=wat veel tijd kost)
wipes → doekjes
\
Unit 10
Accidents and injures:
to be allergic to → allergisch zijn aan
to become swollen → opzwellen
to break your arm/leg → je arm/been breken
to burn yourself → jezelf verbranden
to come around → om rond te komen
to cut your finger → je vinger snijden
to faint → flauwvallen
to feel dizzy → duizelig voelen
to get a bee sting/ to sting → een bijensteek krijgen/steken
to get a rash → uitslag krijgen
to phone for an ambulance → bellen voor een ambulance
to put an plaster/some ice/some cream on it → er een pleister/wat ijs/wat créme of zalf op doen
to stop the bleeding → het bloed stoppen
\ Feeling ill:
to be sick → ziek zijn
to feel sick → ziek voelen
to have got a cold → verkouden zijn
to have got a cough → hoesten
to have got an earache → oorpijn hebben
to have got a fever → koorts hebben
to have got score throat → een pijne keel hebben
to have got a stomachache → buikpijn hebben
to have got a toothache → tandpijn hebben
to have got a headache → hoofdpijn hebben
to sneeze → niezen
my ear/hand hurts →mijn hand/oor doet pijn
\ Other:
an accident → een ongeluk
an allergy → een allergie
bacteria → bacterie
a broken arm/leg → een gebroken arm/been
a disease → een ziekte
an epidemic → een epidemie
to feel breathless → buiten adem geraken
first aid → eerste hulp
hygiene → hygiëne
an illness → een ziekte
an immune system → een imuunsysteem
an injury → een blessure
a remedy → een remedie
to suffer from allergies → last hebben van allergieën
a symptom → een symptoom
\
Unit 11
Adjectives with dependent prepositions:
afraid of → bang van
different from → anders van
full of → vol van
good at → goed in
interested in → geïntresseerd in
keen on → enthousiast
simelar to → lijkt op
suitable for → geschikt voor
suprised about → verbaasd over
worried about → bezorgd over
\ Survival items:
a battery → een batterij
a blanket → een deken
bottled water → flessenwater
a compass → een kompas
insect repellent → insectenwerend middel
a knife → een mes
a magnifying glass → een vergrootglas
a mirror → een spiegel
a rope → een touw
suncream → zonnecréme
sunglasses → zonnebril
a tent → een tent
toilet paper → toilet papier
a torch → een fakkel
water purification tablets → waterzuiveringstabletten
\ Other:
to go to the hairdresser’s → naar de kapper gaan
a hobby → een hobby
job satisfaction → arbeidsvreugde
on a camping holiday → op kampeervakantie
on a desert island → op een onbewoond eiland
a pet → een huisdier
physical work → fysiek werk
a public performance → een openbaar optreden
to research → onderzoeken
a risk of heart disease → een risico op hartaandoeningen
to sing in a choir → zingen in een koor
to sunbathe → zonnebaden
a survey → een vragenlijst
to work in a team → werken in een groep
\
Unit 13
\