HC1: Religie
In Asia Minor was veel Griekse cultuur dankzij diadochen.
Orakels zijn de manier om contact te krijgen met de goden in de oudheid. Bijvoorbeeld via Glycon de slang.
Dit ging via verzegelde enveloppen. Het was niet gratis, dus Abonoteichos werd rijk.
Er was ook kritiek op, want volgens sommigen waren het maar leugens.
Ze wilden de naam veranderen naar Ionopolis (Stad van de Ionische Grieken) en dat mocht.
Bronnen
Voornamelijk christelijke bronnen over hoe slecht andere religies wel niet zijn.
Definitie Religie
Het is een conceptueel verhaal. Het is niet hetzelfde als geloof.
Bepaald systeem van godsdienst → systeem met instituties, kenmerkend eigen ‘godsidee’, jargon, symbolen, iconen, ideeën en een eigen organisatie met een bepaalde hiërarchie.
Neutrale definitie van Geurtz, 1973
Religio als pietà. Je moest je houden aan hoe alles in elkaar stak. Je kunt dan schaamte krijgen voor het niet nakomen van deze verplichtingen.
Het opnieuw lezen = re-legere
Het alles bij elkaar pakken = re-ligare
Het opnieuw kiezen = re-eligere
Religio vs. Superstitio = te veel aan religie doen. Als je aan superstitio deed, kon je worden beschuldigd. Het was een serieus vergrijp.
Religie zat overal in bij de Romeinen. Het heeft te maken met Embeddedness. Religie is niet los te zien, maar is meer als een verbinder van alles in het leven.
Wat is het niet?
Het was geen openbaringsreligie. Er stond nergens ‘hoe het was’ volgens de goden.
Er waren überhaupt geen boeken over religie.
Er waren ook geen dogma’s (geen regels vanuit de goeden over hoe je moest leven) (wilde je dit wel, ging je naar de filosofen)
Het bood geen verlossing. Mensen leefden ook niet met dit concept. Pas tijdens het Christendom kwam het naar voren.
Er was geen moreel kompas. Als men dit wel ervaarde, kwam het van de filosofen.
Er was ook geen keuze. De goden waren er gewoon. Je kon niet kiezen welke religie je volgde.
Welke kenmerken wel
Goden zijn overal, altijd.
De Romeinse staat probeerde telkens de vrede tussen mensen en goden te bewaren. Dit koste veel tijd voor het Rijk.
Het is traditioneel, maar niet statisch. Oude dingen worden niet weggegooid. Denk aan de keizercultus in het begin bij Augustus. Zij respecteerden het bestaan van het Jodendom.
Er was een gedeelde autoriteit. Er was dus geen Paus. Ze hadden wel de Pontifex Maximus, die de baas was over enkele priesterschappen. Lang niet alle macht.
Religieuze praktijk weerspiegelt de sociale status. Veel leiders hadden ooit een religieuze positie gehad. Het werkte beide kanten op als afspiegeling van de sociale status.
Het was polytheïstisch en door de mens gevormd. Van alles wat je in de samenleving nodig had, was een goddelijkheid gemaakt. Er waren overal taken voor Goden. Dit was makkelijk te vergelijken met goden van ‘heidense’ religies. Zij hadden min of meer dezelfde taken.
Hoeksteen van de ‘mos maiorum’ → gebruiken van de voorouderen. Traditie moet stevig neergezet worden.
Kenmerken II
Orthopraxis → het juiste doen: zorgvuldigheid
Romeinen offerden de levengevende organen. Die moesten zo mooi mogelijk zijn en gelezen worden.
Heel veel variatie van hoe je dingen doet. Er zijn mogelijk algemene regels, een algemene lijn. Veel mensen/staten deden dingen op een eigen manier.
Veel verschillen in het hoe, waar en waarom.
Kenmerken III
Het was een Doe-religie. Je laat je religie zien door de dingen die je doet.
Er hoorde van alles bij, klein, groot, wat dan ook.
Uitoefenen van staatsreligie werd buiten gedaan. Tempels hadden een podium. Daar kon je laten zien wat je deed. Het was vooral een sociale aangelegenheid.
Do ut Des → Ik geef omdat jij ook geeft. Dit doen ze om zelf iets terug te krijgen van de goden.
Ze wilden iets bereiken met het uitoefenen van religie, ofwel offeren. Er is discussie over. Het kan twee kanten op.
Het is een transactie of een cadeau.
Wat is een God?
Er werd veel vergeleken met andere Goden.
Kun je de goden vinden in de natuur, tussen de mensen, op het slagveld?
Verschijnt de God bij bevallende vrouwen? Welke omstandigheden dienen er te zijn?
Wie spreekt tot de goden? Is het een vijand of een vriend? Hoe spreek je hem aan?
Wat doet deze god?
Hoe ziet de god eruit? Iconografie.
Welk verhaal heeft de god?
Welke naam draagt deze god?
De context is belangrijk.
Capitulijnse triade → Minerva, Jupiter, Juno.
Oorsprong Romeinse Goden
Veel invloeden van Grieken, de Etrusken en inheemse bevolkingsgroepen.
De combinatie tussen de opkomst van de stad en de landbouw zien we vaak terug.
Voordat er namen werden gegeven, had je al verschillende vormen van goddelijke kracht, zowel privaat als publiek.
De Numina (Penates) komen dan het huis binnen.
Er ontstonden Lares (familiaris). Die kwamen uit een ander gedeelte.
Offeren
Het gaat over de juiste manier van handelen. (ritus)
Je moest zeggen wat je van plan was.
De plaats moest kloppen
De situatie moest kloppen
De datum was ook belangrijk, mocht je de goden op die dag wel aanspreken? → dies nefasti
Is de ‘Doelgod’ goed gekozen?
Wat offer je? Mannelijke dieren, vrouwelijke dieren?
De handeling zelf moest ook kloppen. Er waren allerlei regels die erbij kwamen kijken.
Vaak werd er geöfferd op Romeinse manier, maar ook Grieks of Etruskisch.
Er waren grote publieke offerandes
Praefatio: Dieren werden gekozen, gereinigd en versierd. Er was ook een processie. Het was een eer om mee te mogen lopen.
Immolatio: Heilige zalf werd op de rug van het dier gesmeerd. (wijn + mola salsa)
Dan komt de echte slachting door de Victimarii.
Alleen de ingewanden werden gebruikt in een soort banket. Onderwereld → helemaal verbranden. Koken → watergoden. Grillen → gewone goden.
Dan volgde het Banket. Als er iets niet goed was, werd het reservedier gehaald en geöfferd.
Al het goede werd uitgestald. Wie wat kreeg, werd bepaald op de rang in de samenleving. Als je op het einde pas eten kreeg, wist je dat je minder belangrijk was voor de offeraar.
Suovetaurilia is het beste offer wat je kan doen.
Varken + schaap + stier = sus + ovis + taurus.