De student kan het doel en de aandachtspunten benoemen voor het bijhouden van een vochtbalans
De student kan de SNAQ en de MUST uitleggen
De student kan benoemen welke observaties een verpleegkundige doet bij het verzorgen van een gastrostomie katheter
De student kan de insteek van een gastrostomie katheter verzorgen
De student kan indicaties en contra-indicaties voor het geven van sondevoeding benoemen
De student kan verschillende soorten sondevoeding benoemen
De student kan sondevoeding toedienen via een sondevoedingspomp
De student kan een patiënt eten en drinken geven, daarbij rekening houdend met de klachten en aandoeningen van de patiënt
Het doel van een vochtbalans is om de vochtinname en -afname van een patiënt te monitoren en vochttekorten of -overladen te identificeren.
aandachtspunten: alle inname en uitscheiding moeten worden genoteerd, als er minder dan 30ml per uur voor 2 uur is of <500ml in 24 uur waarschuw de arts, handhygiëne, desinfecteren
SNAQ: short nutritional assesment questionnaire: drie vragen om de voedingstoestand van de patiënt in kaart te brengen:
bent u onbedoeld afgevallen:;
meer dan 6 kg in de laatste zes maanden
meer dan 3 kilo afgelopen maand
afgelopen maand verminderde eetlust
afgelopen maand drinkvoeding of sondevoeding?
MUST: Malnutrition universal screening tool, BMI en het percentrage gewichtsverlies berekend: objectieve meting
Observaties bij gastrostomie katheter: aka PEG
fixatie de eerste 7-10 dagen op dezelfde afstand, strak tegen buikwand
na 10 dagen elke dag dompelen, om ingroei inwendige fixatiedisk te voorkomen
inspecteer insteekopening op: roodheid, lekkage, wondvocht, bloed, maaginhoud, drukplek
Insteekopening verzorgen PEG:
handschoenen
insteekplaats zichtbaar en bekijk afstand en herinner
verwijder splitgaas
inspecteer de huid op aandachtspunten
reinig de huid door gaasje een streek van midden naar buiten te bewegen
droog de huid en fixatiedisk
dompel en draai: PEG, PEJ
dompel: PEG-J
jejunostomiesonde: niet draaien en niet dompelen
dompelen: 3-4 cm naar binnen zodat de interne fixatiedisk loskomt
draaien: eenmaal daags volledigs slag om lengteas, link en rechtsom
doorspuiten met 20cc voor en na
Indicaties voor sondevoeding omvatten situaties waarin patiënten niet in staat zijn om adequaat te eten of te drinken, zoals:
Ernstige slikproblemen (dysfagie)
Verlies van bewustzijn of ernstige mentale status veranderingen
Aandoeningen die de orale inname belemmeren (zoals tumoren in de mond of keel)
Langdurige misselijkheid of braken
Ondervoeding of risico op ondervoeding bij patiënten die niet voldoende calorieën via de mond kunnen binnenkrijgen.
Sondevoeding kan ook geïndiceerd zijn voor patiënten die extra voedingsstoffen nodig hebben, zoals bij:
Kankerbehandeling
Ernstige brandwonden
Net gemaakte operaties die herstel vereisen.
Contra-indicaties voor sondevoeding zijn situaties waarbij de toediening van sondevoeding niet aanbevolen is, waaronder:
Ernstige gastro-intestinale aandoeningen (zoals obstructie of perforatie)
Actieve gastro-intestinale bloeding
Onvoldoende circulatie of hemodynamische instabiliteit
Terminale fase van een terminale ziekte waarbij de patiënt geen baat meer heeft bij voeding
Allergieën of intoleranties voor de gebruikte voedingsstoffen in de sondevoeding.
Patiënten die in staat zijn om adequaat oraal te eten en drinken.
soorten sondevoeding:
vloeibaar of poeder vorm
aangepaste vormen voor patiënten met specifieke voedingsvereisten
lactose vrije of lactose-bevattende
vezels-bevattende
elementaire voedingen: vetten, koolhydraten of eiwitten als kleinere moleculen
voeding speciaal voor ziekten; longziekten, decubitus, nierinsufficiëntie, diabetes enz.
Ondersteunen van een patiënt met dysfagie tijdens het eten - Aandachtspunten:
Eetomgeving: Zorg voor een rustige en comfortabele omgeving zonder afleiding.
Houding: Laat de patiënt rechtop zitten of leun iets naar voren om het slikken te vergemakkelijken.
Voedselconsistentie: Bied aangepast voedsel aan (bijv. pap, puree) dat gemakkelijker te slikken is.
Snelheid van eten: Laat de patiënt op een langzame en gecontroleerde manier eten, met voldoende pauzes.
Hydratatie: Zorg ervoor dat de patiënt voldoende vocht binnenkrijgt, misschien door gebruik te maken van een dikkere vloeistof als dat nodig is.
Waakzaamheid: Observeer de patiënt op signalen van verslikken of ademhalingsproblemen en wees bereid om meteen te handelen.
Communicatie: Moedig de patiënt aan om aan te geven wanneer ze een pauze nodig hebben of als ze zich ongemakkelijk voelen tijdens het eten.
Sondevoeding toedienen via een sondevoedingspomp - Aandachtspunten:
Voorbereiding: Zorg ervoor dat de voedingspomp correct is ingesteld en getest vóór gebruik.
Hygiene: Was je handen grondig voordat je begint en draag indien nodig handschoenen.
Positie van de patiënt: Zorg ervoor dat de patiënt in een comfortabele, rechtopstaande positie zit of ligt om aspiratie te voorkomen.
Type sondevoeding: Controleer of de juiste soort sondevoeding is geselecteerd en dat deze op de juiste temperatuur is (kamertemperatuur is meestal ideaal).
Inkoppelen: Koppel de voedingspomp aan de sonde en zorg ervoor dat alle verbindingen goed zijn afgedicht om lekkages te voorkomen.
Instelling van de pomp: Stel de gewenste toedieningssnelheid en hoeveelheid voeding in op de pomp.
Monitoring: Houd de patiënt tijdens de toediening goed in de gaten op signalen van ongemak, misselijkheid of verslikken, en pas de toediening indien nodig aan.
Afsluiten: Na de toediening, ontkoppel de pomp en reinig de sonde zoals voorgeschreven, en observeer de insteekopening voor eventuele tekenen van infectie of irritatie.