Oikonomia – Inzicht in economie (NOTITIES)

1. INLEIDING EN DOEL VAN ECONOMIE

  • Doel van de economie als vakgebied:
    • Doorgrond de essentie van economische analyse
    • Kennismaken met voornaamste economische begrippen
    • Inzicht in belangrijkste economische relaties
    • Link met actualiteit
  • Examen (uit de samenvatting):
    • Multiple choice
    • “standard setting”: alles invullen
    • 4 mogelijke antwoorden, 1 correcte oplossing
    • Rond week 6 en eind van het semester: voorbeeldvragen in les
  • Kernideeën van Economie als discipline:
    • Economie bestudeert creatie van welvaart
    • Welvaart ontstaat wanneer de economie investeert in toekomstige welvaart
    • Economie als toolbox om beslissingen en hun gevolgen te analyseren
    • Focus op individuele beslissingen en maatschappelijke gevolgen
    • Veel toolboxen naast de economische analyse
  • Doel van de cursus/leeswerk: inzicht in belangrijkste economische tools plaatsen in historische context en toepassen op hedendaagse problemen
  • Systeem: economische schokken kunnen zowel van buiten als van binnen de economie komen

1.1 WAAROM ECONOMIE?

  • Dagelijkse beslissingen zijn vaak gericht op welzijn en welbevinden
  • Economie onderzoekt hoe welvaart wordt gecreëerd en hoe toekomstige welvaart wordt opgebouwd
  • Een discipline/ toolbox om beslissingen te analyseren en de consequenties vooraf in te schatten
  • Bestudeert of individuele beslissingen collectieve (samenleving) uitkomsten verbeteren
  • Economie biedt ook raamwerk voor andere disciplines en benaderingen
  • Doel: begrip van belangrijke economische tools door ze in historisch kader te plaatsen en toe te passen op huidige economische vraagstukken
  • Welkomstpunt voor onverwachte schokken van buitenaf of binnenuit de economie

1.2 HOE METEN OF HET GOED OF SLECHT GAAT MET ONZE ECONOMIE?

1.2.1 GROEI?
  • Veelgebruikte maatstaf voor de omvang van de economie: BBP (bruto binnenlands product) / GDP
  • Groei van de economie wordt gemeten als de groei van BBP: ext{groei} = rac{BBPt - BBP{t-1}}{BBP_{t-1}} imes 100 ext{%}
  • BBP-definitie: som van alle goederen en diensten die in een jaar binnen de landsgrenzen worden geproduceerd en niet als inputs gebruikt worden om verder afgewerkte goederen mee te maken
  • Grafische notie: GDP-growth toont recessies en krimpperiodes (voorbeelden: grote recessie 2008, Covid-19-schok in 2019/2020; bbp-daling na Covid)
  • Voorbeelden in de grafiek: 1996–2020 met pieken/dalen; de daling na Covid leidt tot een krimp van ongeveer -15% in de jaren direct daarna
1.2.2 LOCKDOWN: GEZONDHEID VS ECONOMIE?
  • Economie als systeem in evenwicht tussen productie en consumptie
  • Kringloop van bedrijven, consumenten en goederen kan worden verstoord door lockdowns; als één schakel wegvalt, kunnen andere schakelpunten ook wegvallen
  • Belang van financiering van gezondheidssystemen wanneer de economie stilligt; vraagstuk: waar haal je middelen vandaan voor gezondheidszorg bij een lange onderbreking van economische activiteit?
  • Kernidee: verstoring van de kringloop leidt tot krimp in de economie
1.2.3 HOE ERNSTIG WAS CORONA VOOR DE ECONOMIE? (KORTE TERMIJN)
  • BBP‑krimp van meer dan 10% (grootste daling sinds WOII)
  • Corona-implicatie: een enorme korte-termijn krimp door de gezondheidscrisis en bijbehorende maatregelen
1.2.4 HOE GAAT HET NU MET DE ECONOMIE?
  • Inhaalbeweging na lockdowns: omzet en activiteit komen terug, maar niet altijd volledig terug op het niveau van vóór de daling
  • Massive daling van de kringloop in de lockdownperiode werd gevolgd door herstel; de daling werd niet volledig gecompenseerd door ons herstel in de daaropvolgende periodes
  • Inflatie stijgt (ingevoerd als “het leven wordt duurder”): hoge inflatie, sterke prijsstijgingen vandaag
  • Energiethema’s:
    • Poetin heeft gaskraan dichtgedraaid; EU heeft er direct last van
    • Gasverbruik en gasproductie in de EU: 2021 gasverbruik +4,3% t.o.v. 2020 (+20% sinds 2014); gasproductie EU -7,6% (2021)
    • NL is een belangrijke producent in de EU: productie in 2021 -9,4%, in de eerste helft van 2022 -18%
    • EU importeert 83% van haar gas (afhankelijkheid van import)
    • Gasprijzen: schommelingen en pieken in reactie op leveringszekerheid en geopolitieke factoren
  • Elektriciteitsprijzen:
    • Leveranciers produceren elektriciteit uit diverse bronnen (wind, gas, nucleair, biomassa, waterkracht) en kopen vooruit via termijnmarkten
    • Dagelijkse/wekelijkse markten (KT-markten) kunnen zorgen voor evenwicht als de vraag hoger of lager uitvalt dan verwacht
    • Marginale centrale bepaalt de prijs van het laatste geleverde MWh
    • Verkoop van elektriciteit voor lage prijzen kan leiden tot latere hogere inkoopprijzen bij toekomstige leveringen (risico-aspect voor leveranciers)
  • Gasverbruik in België (2021): 24% industrie; 54% gezinnen/kleine- en middelgrote ondernemingen; 22% elektriciteitscentrales
  • Relatie tussen gas- en elektriciteitsprijzen: hogere gasprijzen leiden tot hogere elektriciteitsprijzen via inputkosten
  • Samenvatting: energiekosten en inflatie zijn sterk verbonden; energiemarkten vertonen geopolitieke gevoeligheden en marktonzekerheid

1.3 ECONOMIE OP LANGE TERMIJN

1.3.1 WAAR KAN JE VANDAAG HET BEST GEBOREN WORDEN MET HET OOG OP EEN WELVAREND LEVEN?
  • Welvaart is een containerbegrip; BBP per hoofd is een veelgebruikt maatstaf voor welvaart: BBP_{per ext{ hoofd}} = rac{BBP}{ ext{populatie}}
  • BBP-definitie: som van alle goederen en diensten geproduceerd binnen de landsgrenzen in een jaar, niet als inputs gebruikt voor verdere productie
  • Welvaartsevolutie over 2000 jaar: BBP per hoofd toont beperkte discrepanties; geografische ligging had vroeger minder impact dan tegenwoordig
1.3.2 DIVERGENTIE VANAF 19E EEUW
  • Industriële Revolutie (IR) leidt tot opkomst van kapitalisme als economisch systeem
  • Kapitalisme kenmerkt zich door:
    1) productie binnen bedrijven
    2) markten waar bedrijven en klanten vrij producten ruilen tegen prijs boven productiekost, zodat eigenaren worden vergoed
    3) private eigendom van kapitaalgoederen (investeringen leiden tot opbrengsten voor investeerders)
  • Verschillen met middeleeuwse productie: bedrijven en schaalgrootte vergroten investeringsmogelijkheden en concurrentie prikkels; technologische vooruitgang; geografische expansie van markten
  • Kapitalisme hoeft niet één specifiek systeem te betekenen maar een verzameling systemen die minstens deze drie elementen bevatten
  • Voorbeeldverschillen: China (sinds jaren ’80 hervormingen), Noord-Korea (dictatuur), “Difference in Difference” analyse als uitleg waarom twee landen verschillend zijn nadat een gebeurtenis zich heeft voorgedaan
  • Aurorische citaten zoals “Laissez faire” blijft inspirerend en geeft aan dat aanpassingen in economie land- en tijdafhankelijk zijn
1.3.3 AANDEEL IN WERELDINKOMEN
  • Horizontaal: tijd; Verticaal: aandeel in wereldinkomen
  • G7: rijke geïndustrialiseerde landen (bv. Duitsland), Asia 3: China, India, Indonesië
  • Minder aandeel van G7 in wereldinkomen door opkomst van Asia 3
  • Wereldinkomen = som van BBP van alle landen
  • Naar meer welvaart en welzijn: hoe verhoudt welvaart zich tot welzijn en geluk? (zie blokken A en B over welvaart/ welzijn en HDI)
  • Welvaartsgroei: wereldwijde trends laten zien verschuiving van economische macht
1.3.4 KAPITAALISTISCHE INSTITUTIES = GARANTIE OP WELVAART?
  • Kapitalistische instellingen bieden geen automatische garantie voor structureel hogere welvaart voor iedereen
  • Factoren waarom economieën soms welvaart voor iedereen niet verhogen: juridische bescherming van private eigendom; competitieve markten; overheid die effectief reageert op devolutie en regulering; tegenkant tegen “rent-seeking”
  • Rol van overheid: cruciaal om economische systeem succesvoller te maken voor brede welvaart
  • Thema’s die in veel hoofdstukken terugkeren: institutionele kwaliteit, regelgeving en beleid
1.3.5. NATUURBUDGET
  • Beperkingen bij keuzes: groei van welvaart gaat samen met het verbruik van ons gedeelde ‘natuurbudget’
  • I = f(P, A, T): Milieu-impact is een functie van meerdere factoren:
    • P = Population (bevolking)
    • A = Affluence (welvaart per hoofd) → consumptie/inkomen per hoofd
    • T = Technology (technologie)
    • Interacties tussen deze factoren bepalen de milieu-impact
  • BBP ≈ P × A (groei wordt vaak vertaald als economische groei per hoofd);
    • Groeipercentage van circa 2% per jaar leidt tot verdubbeling van output ongeveer elke 35 jaar
  • Ecologische grenzen en planetaire druk:
    • Grenzen overschrijden kunnen leiden tot ecologische risico’s (biodiversiteit, klimaat, stikstofcyclus)
    • Efficiëntie vs. genoeg hebben (efficiency vs. sufficiency) – post-groei-denken
  • Ecologische voetafdruk:
    • Definitie: productieve grond- en wateroppervlakte waarop iedereen dezelfde toegang zou hebben tot hulpbronnen
    • Wereldwijd: voetafdruk ~ 2.7 hectare per persoon; planetaire grens ~ 1.8 hectare (veilig)
    • België: gemiddeld ~ 7 hectare (veel hoger dan de veilige zone)
  • Doughnut economy (Raworth, 2017):
    • Planeetale grenzen vormen de buitenkant van een “donut”; ondergrens (sociale fundamenten) binnen de donut; veilige zone ligt in het groen
  • Duurzaamheidsuitdagingen:
    • Duurzaamheid omvat ecologische én sociale rechtvaardigheid als principiële pijlers
    • Wereldkaart armoede toont subcategorieën (toegang tot GGZ, geld, etc.) en regionales verschillen in welvaart
    • Wereldkaart obv welvaart/BNP toont regionale verschillen; in tijd zien we verschuivingen in armoede en onderwijstoegang
  • “How stuff works”: basiskennis als motor voor verandering en beleid

2. WELVAART EN MARKTEVENWICHT, SCHAARSTE, BEHOEFTE, EN MODELLEN

2.1 WAT IS ‘ONZE ECONOMIE’?
  • Moderne economie als een complex systeem van productie en consumptie met schaarse middelen
  • Private bedrijven produceren goederen/diensten en bieden werkgelegenheid
  • Consumenten kopen goederen/diensten, betalen belastingen en leveren menselijk kapitaal (opleiding, vaardigheden)
  • Overheden leveren publieke goederen/diensten en reguleren en initiëren projecten; kopen ook van bedrijven en vormen werkgelegenheid
  • Markten: goederen- en dienstenmarkt, arbeidsmarkt, kapitaalmarkt, etc.
  • Menselijk kapitaal (human capital) wordt opgebouwd via onderwijs; verhoogt efficiëntie en productiviteit
  • Economie wordt bestudeerd als een complex systeem; welvaart is een interdisciplinair probleem
2.2 WELVAART EN ALLOCATIEPROBLEEM
  • Welvaart = in hoeverre de inzet van middelen tot economische baten leidt
  • Allocatieprobleem: beperkte middelen en verschillende wensen; hoe middelen toewijzen aan activiteiten om zo veel mogelijk welvaart te creëren
  • Welvaartanalyse: het verschil tussen baten en kosten van het inzetten van middelen wordt bestudeerd
  • Belang van goede informatie voor allocatiebeslissingen (context en omstandigheden beïnvloeden besluitvorming)
  • Voorbeeld: gezondheidszorg en medische fouten als een allocatieprobleem; economische inefficiëntie als gevolg van suboptimale informatie
  • Belang van interdisciplinaire aanpak bij welvaart en allocatie
2.3 WAT IS EEN MARKT?
  • Markt = groep kopers en verkopers van een bepaald goed of dienst, al dan niet georganiseerd (veiling vs. supermarkt)
  • Vraag bepaalt de vraagkant; aanbod bepaalt de aanbodkant
  • Aanname: homogeen product (bv. graan) en veel kopers en verkopers waardoor één individu geen prijs kan beïnvloeden
  • In werkelijkheid realistisch: imperfecties bestaan, maar de modellen helpen bij richtinggevende analyse en verklaren alledaagse fenomenen (bv. prijsverschillen door seizoensinvloeden, modelprijzen bij vakanties, etc.)
2.4 VRAAG EN AANBOD
  • Vraag en aanbod zijn twee sleutelbegrippen die prijs en hoeveelheid bepalen (allocatie)

  • Hoe beïnvloeden gebeurtenissen/maatregelen de economie? Vraag en aanbod verschuiven denkbaar,

    • Vraag V kan veranderen door prijsschommelingen of andere factoren; naast prijs kunnen factoren als voorkeuren, inkomens en substituten/aanvullende goederen verschuiven de vraagcurve
    • Aanbod A reageert op prijzen via marginale kosten en technologische vooruitgang; inputs en productiviteit beïnvloeden de aanbodcurve
  • 2.4.1 VRAAG

    • Voorbeeld: bereidheid tot betalen (WTP) van kopers voor een album; vraagfunctie afleiden uit WTP
    • Vraagcurve: grafische voorstelling van hoeveelheden die kopers tegen verschillende prijzen willen kopen
    • Wet van de vraag: bij ceteris paribus dalen de gevraagde hoeveelheden als de prijs stijgt (negatieve relatie tussen prijs en gevraagde hoeveelheid)
    • Veranderingen in gevraagde hoeveelheid kunnen komen door prijsveranderingen (beweging langs de curve) of door andere factoren die de curve verschuiven (veranderingen in smaak, inkomens, prijzen van verwante goederen, etc.)
    • Substitutiegoederen en complementaire goederen voorbeelden
  • 2.4.2 AANBOD

    • Voorbeeld: kosten van 4 mogelijke verkopers; marginale kost (MC) definieert de extra kost voor de extra geproduceerde eenheid
    • Aanbodcurve: stijging van prijs leidt tot een toename in aangeboden hoeveelheid (beweging langs de curve); verschuiving van de curve door inputprijzen, productiviteit/technologie, verwachtingen, tarieven, etc.
    • Marginale kost (MC) is de bijkomende productiekost per extra geproduceerde eenheid; bij kapitaalkosten wordt initieel kapitaal verlaagd of afgeschreven, maar worden MCs relevant voor toetreding tot de markt
  • 2.4.3 VRAAG EN AANBOD SAMEN

    • Markt in evenwicht: aangeboden hoeveelheid equals gevraagde hoeveelheid
    • Evenwichtsprijs p* en evenwichtshoeveelheid Q*
    • Grafiek: kruising van vraag- en aanbodcurve
    • Markten zijn zelfregulerend; na verstoring bewegen ze terug naar evenwicht
    • Drie stappen bij analyseren van veranderingen:
      1) Bepaal of de verandering leidt tot verschuiving van V of A (of beide)
      2) Bepaal in welke richting ze verschuiven (links of rechts)
      3) Gebruik V- en A-grafiek om veranderingen in prijs en hoeveelheid te verklaren
    • Toepassingen: verschijnselen zoals de introductie van een nieuw model (bv. iPhone) of schommelingen in vakantiewoningen, gas- of maskermarkten
  • 2.5 MARKTEN EN WELVAART

    • Marktvraagcurve weerspiegelt de hoeveelheid die kopers tegen bepaalde prijzen willen en kunnen kopen
2.5.1 CONSUMENTENSURPLUS
  • Consumentensurplus (CS) is het verschil tussen wat kopers bereid zijn te betalen en wat ze daadwerkelijk betalen
  • CS meet de welvaart of het plezier van consumenten bij het deelnemen aan de markt
  • CS wordt grafisch gemeten als het gebied onder de vraagcurve en boven de marktprijs (P*)
  • Voor rechte vraagcurve: CS is een driehoek; voor afgewikkelde vraag kan CS berekend worden via integral, afhankelijk van de vorm van de vraagfunctie:
    • Algemeen: CS = 60 ext{mm} \, ext{insert formule}
    • Specifiek voor lineaire vraag:
      CS = rac{1}{2} (P_{ ext{max}} - P^) imes Q^
  • Effect van prijsveranderingen op CS:
    • Als de prijs daalt, stijgt CS doordat meer consumenten toetreden
    • Toenemende betalingsbereidheid leidt tot meer surplus
  • Voorbeelden en toelichtingen zoals de wijn-/tiener-/promo-illustraties uit de notities
2.5.2 PRODUCENTENSURPLUS
  • Producentensurplus (PS) is het bedrag dat producenten ontvangen boven de kosten om het goed te produceren en op de markt te brengen
  • PS meet de baten voor verkopers van marktparticipatie
  • PS wordt gemeten via het gebied onder de marktprijs en boven de aanbodcurve
  • Net als CS is PS afhankelijk van de vorm van de aanbodfunctie; bij lineaire kosten leidt PS tot een duidelijke driehoek onder de prijs en boven MC
2.6 NATUURLIJN EN VERDER VERMELDINGEN
  • Marktmechanismen en welvaart worden beïnvloed door structurele factoren zoals regelgeving, belasting- en budgettaire beleid, en institutionele kwaliteit
  • Ethiek en rechtvaardigheid spelen een rol in economische beslissingen, vooral bij toeleveringsketens en publieke goederen
  • Duurzaamheids- en inclusie-implicaties: economische modellen moeten rekening houden met ecologische grenzen en sociale rechtvaardigheid, om brede welvaart te bevorderen

Belangrijke formules en notaties (samengevoegd)

  • BBP / GDP: BBP=extsomvanallegoederenendienstengeproduceerdbinnenlandsgrenzenineenjaarBBP = ext{som van alle goederen en diensten geproduceerd binnen landsgrenzen in een jaar}
  • BBP per hoofd: BBP_{per ext{ hoofd}} = rac{BBP}{ ext{populatie}}
  • Groeicijfer: g = rac{BBPt - BBP{t-1}}{BBP_{t-1}} imes 100 s
  • Welvaart is een containerbegrip; een vaak gebruikte maatstaf is BBP_{per ext{ hoofd}}maarwelzijnisbreder(HDI,etc.)</li><li>Milieuimpact:maar welzijn is breder (HDI, etc.)</li> <li>Milieu-impact:I = f(P, A, T)</li><li>Kaderplaneetplaatje:donutschema,planetairegrenzenvs.socialefundamenten(DoughnutEconomy)</li><li>Evenwichtinmarkten:</li> <li>Kader planeet-plaatje: donutschema, planetaire grenzen vs. sociale fundamenten (Doughnut Economy)</li> <li>Evenwicht in markten:Qd(p^) = Qs(p^)
    ightarrow ext{Evenwichtsprijs } p^* ext{ en evenwichtshoeveelheid } Q^*</li><li>Consumentensurplus:generiekenotatievooreennietlineairevraagfunctie:</li> <li>Consumentensurplus: generieke notatie voor een niet-lineaire vraagfunctie:CS = ext{Area under the demand curve above } P^,eninhetgevalvanlineairevraag:, en in het geval van lineaire vraag:CS = rac{1}{2} (P_{ ext{max}} - P^) imes Q^*</li><li>Producentensurplus:</li> <li>Producentensurplus:PS = ext{Area above the marginal cost curve up to } Q^,equivalently, equivalentlyPS = rac{1}{2} (P^ - MC_{ ext{at }Q^}) imes Q^$$ (afhankelijk van verloop van MC)

Opmerking: De bovenstaande noten volgen de structuur en inhoud uit de transcriptie en zijn bedoeld als uitgebreide studienotities. Gebruik deze als referentie voor kernbegrippen, definities, grafische interpretaties en praktijkvoorbeelden zoals prijs- en vraagveranderingen, marktevenwicht, en duurzaamheid gerelateerde economische concepten.