Pathologie deel 2.1-2.9
LES 2: 2. STOFWISSELINGSSTOORNISSEN
2.1. Inleiding
2.1.1. Definities
Stofwisselingsstoornis = kwantitatieve afwijking in biochemische processen van opbouw en afbraak (omzetting van substraten = metabolisme)
GEEN kwalitatief nieuwe omzettingen! (anders neoplasie)
Bestaande biochemische processen gaan onvolledig, in te geringe mate of in overmaat, of op de verkeerde plaats door
ADAPTATIEVERMOGEN VAN DE CELLEN IS OVERSCHREDEN
Opstapeling substraat in bepaalde cellen of in interstitium en/of ontbreken van bepaalde weefselbestanddelen
Reactie op endogene en exogene prikkels→ adaptatie
Gestegen belasting →functioneel actieve celmassa stijgt:
Hypertrofie = cellen en organellen vergroten
Hyperplasie = cellen en organellen vermeerderen in aantal
Intercellulaire matrix + secretieproducten stijgen
Is adaptatie eindeloos rekbaar? NEEN

Problematisch: degeneratie ->ziek! Cel wordt ziekt en er komt beschadiging en gaat kapot gaan (anders uitzien, aftakelen, ….)
Zichtbare beschadigingen, structuurveranderingen
Zieke cel bv door hypoxidose: zeer hoog metabool actief veel zuurstof nodig ->ontbreken: cel moeite hebben om Na/K pompen houden, opzwellen, geen vet verbranden en dus opstapelen ->vervette cel
Reversibel (genezen) of irreversibel (necrose)
Bv vervette cel kan terug genezen maar kan ook afsterven
Point of no return: necrose
Gestegen belasting van bv spier ->satellietcellen binnenkomen en extra elementen gevormd en aanpassing gebeuren voor extra kracht ->spier wordt iets dikker
Kan de cel delen? Ja ->gemakkelijk vermeerderen = hyperplasie
Hypertrofie: alleen maar vergroten, bv spiercellen kunnen niet aan mitose doen ->meer elementen aanmaken door te vergroten
Stijf zijn spieren: beetje kapot aan het gaan, micro scheurtjes in de spier MAAR lichaam super slim -> lichaam overcompenseren: meer herstelling dan noodzakelijk ->meer spieren krijgen



Langs buitenkant kan je niet zien of het hyperplasie of hypertrofie is
Pasgeboren geitje hiermee geboren ->congenitale aandoening
Deficientie maternaal jodium dieet: moeder te weinig opname jodium
Te weinig jood bij moeder = hyperplasie neonaat
Waarom? weinig T4 en T3 maken door het tekort aan jodium->te weinig in T4 en T3 in circulatie ->productiecapaciteit verhogen: TSH verhogen ->thyroide gestimuleerd ->positieve feedback loop
Proces blijft doorgaan

Truncus pulmonalis vernauwing
Bloed rechter hart zwak wandje normaal
Is een serieuze wand geworden: krijgt bloed niet in de longen door vernauwing ->tandje bij zetten: hypertrofie ->post mitotisch gefixeerd (kunnen geen mitose)
Body builder cellen
Kan niet blijven duren: op bep moment zo dik dat er een probleem ontstaat ->diffusie van O2 wordt probleem: oplossen door deling cellen, maar dat kunnen spieren niet ->op moment burn-out: heel gedilateerd hart
Gedaalde belasting →activiteit cellen en actieve celmassa daalt →atrofie (=afname aantal cellen en/of aantal cellulaire structuren)

Kat met ernstige anemie
Gaten inzitten waar vroeger cardiomyocieten / fibrillen zaten
Hemolytische anemie
Bloedarmoede door hemolyse: RBC kapot gegaan
Weinig contractie mogelijk-> dont use it, you loose it
Verliezen contractiele elementen

Levercellen veel ruimer uit elkaar ->atrofie van de lever
Porto-systemische shunt (congenitaal): v portae naar v cava caudalis zonder langs lever te gaan
Weinig voeding en zuurstof krijgen ->vermageren en krimpen ->atrofische lever
Degeneratie = morfologische uiting van stofwisselingsstoornis die nog niet heeft geleid tot celdood
Orgaanveranderingen die gevolg zijn van degeneratieve veranderingen parenchymcellen of extracellulaire steunstructuren en die niet van ontstekingsnatuur zijn, worden aangeduid met suffix -ose of -osis (vb nefrose = degeneratie nier, artrose = gewrichtsdegeneratie)
Kwalitatieve kenmerk degeneratie kan met dit suffix aangegeven worden (vb. amyloïdose = opstapeling amyloïd, lipidose = opstapeling vetten)
ECHTER: ontstekingen kunnen ook leiden tot degeneratieve veranderingen
Dystrofie = ziekte die veroorzaakt wordt door stofwisselingsstoornis (bv dystrofische verkalking, osteodystrophia fibrosa)
2.1.2. Belangrijkste oorzaak/etiologie van degeneratie: hypoxidose
Hypoxidose = degeneratieve verandering door stoornis in oxidatieve energieproductie (oxidatieve fosforylatie)

Degeneratie door te weinig zuurstof, algemeen over oxidatieve fosforylatie
ATP nodig: zuurstof, brandbare stoffen (suikers, vetten, proteinen, ketonen), mitochondrien
Alles moet macheren: geen zuurstof = geen atp
2.1.2.1. Vormen van hypoxidose
3 grote oorzaken:
1. Zuurstofgebrek:
Hypoxaemische hypoxidose
Ischemische hypoxidose
Stuwingshypoxidose
2. Blokkage intramitochondriale oxidatieprocessen: histotoxische hypoxidose
3. Onvoldoende beschikbaarheid oxideerbare stoffen: hypoglycemische hypoxidose
2.1.2.1.1. Hypoxaemische hypoxidose
Hypoxie = te laag zuurstofgehalte in arteriële bloed:
1. Te lage partiële zuurstofdruk in ademlucht (vb. hoogteziekte)
2. Verhindering luchttoevoer(vb. stenose thv larynx)
3. Stoornis in pulmonaire bloedtoevoer (vb re hartfalen, stenose pulmonalisklep)
4. Stoornis in pulmonaire gasuitwisseling (vb longoedeem)
5. Stoornis in zuurstoftransport in bloed (vb CO intoxicatie, anemie)
6. Bijmenging veneus bloed bij arteriële bloed (vb interventrikulair septumdefect - VSD, PDA, arterio-veneuze fistel)
=>CYANOSE= donker bloed en blauwverkleuring weefsels

2.1.2.1.2. Ischemische hypoxidose
=te geringe aanvoer zuurstof of oxideerbare substanties naar cellen tgv verminderde arteriële bloedtoevoer
Weefsels hebben bleek of cyanotisch uitzicht →verminderde afvoer CO2 →lokale acidose
Weinig bloed aankomen ->snel opgebruiken van zuurstof dat er toch nog aankomt ->snel blauw aankleuren
Zeer koud: bloed wegtrekken uit vingertoppen ->bleek worden
Langer aanhouden: afsterven
Sour toe cocktail canada

2.1.2.1.3. Stuwingshypoxidose
= verminderde aanvoer van zuurstof of oxideerbare stoffen door blokkade veneuze retour
CYANOSE met toegenomen bloedvolume in orgaan: bloed arterieel naar orgaan aangevoerd→ zuurstof en oxideerbare substanties worden verbruikt→ "arme" bloed geraakt niet meer weg → verminderde afvoer CO2 →lokale acidose
Donkerrode organen, gestuwd orgaan

2.1.2.1.4. Histotoxische hypoxidose
= blokkade intramitochondriale oxidatieprocessen (bv bij mitochondriale beschadiging, (co-)enzymedeficiënties)

2.1.2.1.5. Hypoglycemische hypoxidose
= gestoorde energieproductie door onvoldoende beschikbaarheid van oxideerbare stoffen, vnl glucose (oa. bij vasten, malabsorptie of insulinomen)

Ook proteinen, vetten en ketonen, niet enkel suiker
Te weinig brandstof
Tumoren eilandjes langerhans ->te veel insuline ->kan je niet meer gebruiken om te verbranden
2.1.2.2. Gevoeligheid voor hypoxidose
Hersenen: bijzonder gevoelig→ binnen 3min irreversibele celbeschadiging
Centrolobulaire hepatocyten: bijzonder gevoelig wegens specifieke portale circulatie
Medulla nier en nierpapillen: erg gevoelig
Skeletspier: bijzonder efficiënt in onttrekken zuurstof, maar wegens zeer hoge behoefte toch erg gevoelig
Foetus is in 2de helft dracht en tijdens partus relatief weerstandig aan zuurstofgebrek
2.1.3. Algemene noxen/etiologieën verantwoordelijk voor degeneratie
Degeneratie = gevolg inwerking ETIOLOGIE (vaak NOXE):
1. Zuurstoftekort: hypoxie en anoxie
2. Fysische factoren
3. Infectieuze agentia
4. Voedingsonevenwicht en carenties
5. Genetische defecten
6. Toxines en chemicaliën
7. Immunologische dysfunctie
8. Veroudering
9. Onevenwicht in werklast
2.1.3.1. Zuurstoftekort
Hypoxie = partiële reductie in O2-concentratie (tot in cellen)
Anoxie = volledig ontbreken zuurstof (tot in cellen)
Zuurstoftekort kan systemisch of lokaal voorkomen:
Systemisch:
Suffocatie = asfyxie = verstikking (larynx- of longziekte, hartfalen)
Hypoxie door versch respiratoire problemen
Hartfalen
Stoornissen in hemoglobinefunctie
CO intoxicatie: bloed kersrood →roodverkleuring huid
Nitrietintoxicatie met vorming methemoglobine: nitriet op hemoglobine komt zitten ->chocolade bruin verkleuring weefsels
Anemie (bv. ijzertekort big))
Blokkade cellulaire respiratoire enzymen (celademhaling)
bv cyanidevergiftiging: roze verkleuring huid, gaat enorm snel (enkele sec)
Lokaal: ischemie (bloedvatobstructie) →infarct, hemorrhagische infarcering, cyanose
bv. strangulatie (afsnoering) van darmsegment leidt tot hemorrhagische infarcering en afsterven


Pneumothorax: ribben door prikken longen ->pleurale holte lucht opstapeling ->onderdruk helemaal weg ->niet meer uitzetten van de long ->niet meer ademen

2.1.3.2. Fysische factoren
Mechanische factoren: trauma veroorzaakt direct schade aan de cellen of schaadt de bloedtoevoer

Elektriciteit: stroom genereert warmte in de weefsels en interfereert met de prikkelgeleiding →hartstilstand

Radiatie: beïnvloedt genetisch materiaal, ioniseert cellulair water met vorming van vrije radicalen (zie verder)

Thermische invloeden:
Extreme koude bemoeilijkt bloedtoevoer, intracellulaire ijskristallen doorprikken celmembranen
Extreme hitte denatureert enzymen en andere proteïnen (zie verder: heat shock proteïnen)

2.1.3.3. Infectieuze agentia
Virussen (vb. koortsblaas bij Herpes labialis)
Bacteriën (vb. diarree bij Escherichia coli) (2)
Schimmels en gisten (vb. Microsporum canis) (3)
Parasieten (vb. milky spots bij Ascaris suum) (4)
(Prionen) (vb. Bovine Spongiform Encephalopathy– BSE – dolle koeienziekte) (5)

2.1.3.4. Voedingsonevenwicht en carenties
Cfr. cursus diervoeding
Vb.: tekort aan vit. E / selenium, methionine (aminozuur)

2.1.3.5. Genetische defecten
Congenitaal (vb. ichtyosis congenitalis = schubben- of vissenhuid)
Verworven (vb. Creutzfeldt-Jakob (= soort humane vorm van BSE))

2.1.3.6. Toxines en chemicaliën
Mechanismen: Verstoring celbiologie
Productie vrije radicalen (zie verder)
Blokkage membraanreceptoren
Stimulatie membraanreceptoren
Wijziging celpermeabiliteit
Wijziging enzymesystemen
Wijziging metabole pathway
Beschadiging chromosomen
Beschadiging celcomponent
Voorbeelden:
Antimetabolieten = stof die in cel concurreert met metaboliet, maar werking metaboliet mist. Door concurrentie worden bep stappen in metabolisch proces geremd
Stoffen die membraandestructie veroorzaken
Stoffen die oxidatieve fosforylatie remmen
ATP-ase remmers
2.1.3.7. Immunologische dysfunctie
Congenitaal (vb. thymusaplasie bij ‘nude’ muis: dergelijke muizen hebben spontane deletie FOXN1 gen; thymusaplasie zorgt ervoor dat geen enkele T cel afh immuniteit kan opgebouwd worden; ontbreken haarfollikels is te wijten aan pleiotroop effect FOXN1 gen)
Verworven (vb. aids –acquired immunodeficiency syndrome: human immunodeficiency virus (HIV) infecteert CD4+ T cellen)
Auto-immuunziekten (vb. lupus erythematosus: zie cursus Immunopathologie)

2.1.3.8. Veroudering
Typische ouderdomsletsels bij dieren = nodulaire hyperplasie lever, pancreas, bijnier, milt en schildklier
Knobbels als compensatie dienen voor falende orgaan
Reden veroudering: defect in controle groei, opstapeling genetische fouten (error accumulation hypothesis) of cellulair debris, levenslange inwerking noxe, senescentiegenen (zie les 18)
Kanker… gerelateerd aan veroudering? (zie lessen 15 – 17)
Veroudering is niet één fenomeen, maar paraplu waaronder heel wat lichaamsprocessen vallen
Enkele mechanismen die veroudering reguleren

2.1.3.9. Onevenwicht in werklast
Te geringe of overdreven belasting is niet gezond
Bepaalde genetische aandoeningen (bv. myostatinegendefect) en hormoontherapieën geven het beeld van adaptatie aan verhoogde werklast
Burn out van cellen
Myostatine gen defect: spieren blijven groeien ->geen remming

2.1.4. Algemene pathogenese van degeneratie
1. Vrije radicalen
2. Stoornissen in membraanreceptoren
3. Rechtstreekse beschadiging van membranen
4. Rechtstreekse inwerking op celorganellen en enzymen
2.1.4.1. Vrije radicalen
Onpaar elektron
Reactive oxygen species (ROS) (= zelf radicalen of geven aanleiding tot radicaalvorming): superoxide anion O2-, hydroxyl radicaal OH-, hypochloriet OCl-, waterstofperoxide H2O2, natief zuurstof O2 etc
Normaal inactivatie van vrije radicalen door enzymen (catalase, glutathion peroxydase en superoxide dismutase)
Selenium, vit. E en vit. C zijn anti-oxidantia! (vangen radicalen)
Ontstaan:
Absorptie stralingsenergie (UV, röntgenstralen)
Exogene stoffen (CCL4 → CCl3-)
Enzymatische metabolisatie van exogene stoffen
Endogene, oxidatieve reacties (oxidative/respiratory burst)


Vrij radicaal is onstabiel en erg reactief (gaat voortdurend op zoek naar een H+ om geneutraliseerd te worden met vorming van H2O)
Gaat een chemische reactie aan met eiwitten en lipiden: membraan !
Heel belangrijk is de reactie met poly-onverzadigde vetzuren (PUFA’s): radicalen onttrekken een H+ van een C tussen twee dubbele bindingen →oxidatie en polymerisatie van de plasmamembraan
Voornamelijk H+ wegtrekken tussen 2 dubbele binding kunnen vrije radicalen heel goed
Probleem: CH2 is een radicaal geworden
H+ wegtrekken ->lipide vrije radicaal geworden
Geperoxideerd: zuurstof bijkomen
H+ afpakken van buren ->eindigen met LOOH (aldehyde)
Cel gaat kapot gaan want permeabiliteit is om zeep
Gevolgen:



Permeabiliteits stoornissen door rechtstreekse beschadiging van membraansystemen en door afbraak ionenkanalen met herverdeling van Na+, K+, Ca2+ en Mg2+ →celzwelling
Gestoorde eiwitsynthese door DNA beschadiging en membraanschade aan RER en Golgi
Stijging cytosolisch Ca2+ door beschadiging RER en mitochondriën
Gaan lek worden: alles vrij in en uit passeren
Bv water aangezogen ->maar gaat niet meer er terug uit duwen want systeem macheert niet meer (alles is kapot) ->zwellen en uiteindelijk ontploffen
Mitochondrien lek: Ca vrijkomen ->te veel Ca ->fosfolipase activeren, gaan alles kapot maken zelfs DNA klieven ->cel sterft
Algemeen gevolg: cel zal afsterven
Vaak gebeurt dit onder vorm van ferroptosis:
Vorm van apoptose (zie les 4)
Afhankelijk van beschikbaarheid ijzer (vrij ijzer is dus toxisch! Cfr Fentonreactie)
Geïnduceerd door geperoxydeerde vetten
Wanneer glutathione afhankelijke anti-oxidatiemechanismen tekortschieten
Antioxidantia en ijzerchelatoren kunnen dit dus vermijden
2.1.4.2. Stoornissen in de membraanreceptoren
Directe effecten:
Vb. 1: daling aantal LDL receptoren →hypercholesterolemie, want LDL geraakt niet uit het bloed
Vb. 2: daling aantal glucagonreceptoren →obesitas

Wijzigingen in gevoeligheid cellen (bv voor virussen of auto antigenen → meer of minder virale infectie en auto-immuunziekten)
2.1.4.3. Rechtstreekse membraanbeschadiging (volgende lessen)
2.1.4.4. Rechtstreekse inwerking op celorganellen en enzymen (volgende lessen)
2.2. Cytopathologie
=bestudeert pathologische veranderingen aan individuele celcomponenten en celorganellen→ deze tak van pathologie onderzoekt letsels op celniveau
Functioneel onderscheidt men 5 systemen in cel waarvan functie zal uitvallen bij ernstig letsel:
1. kern met nucleoli, ribosomen, ruw endoplasmatisch reticulum (RER) en Golgi complex: productie organellen, eiwitsynthese
2. mitochondriën: energieproductie
3. lysosomen: intracellulaire vertering
4. GER (glad endoplasmatisch reticulum): detoxificatieprocessen
5. celoppervlak - plasmamembraan: barrièrefunctie, ontvangst chemische signalen uit omgeving, transport moleculen naar binnen en buiten

2.2.1. De kern
2.2.1.1. Kerndeling

Tal van pathologische toestanden kunnen delingsritme verstoren
Delingsritme kan op coupe adhv immunohistochemische kleuring tegenover Ki67, dat mitose merkt, ingeschat worden
Diploïde cellen (2n) verdubbelen tijdens mitose hun DNA →indien geen celdeling gebeurt ontstaat tetraploïde cel (4n) met hyperchromatische kern
Tetraploïdie en polyploïdie (2xn) ontstaan door endomitose (verdubbeling genoom zonder karyodieresis); kunnen fysiologisch zijn in lever, myocard en endocriene organen
Pathologisch bij regeneratie en tumoren

Monsterachtige kern: veel meer dna in zitten ->tumor zo enthousiast om dna aanmaken maar nog niet verder delen
Hyperchromatisch: te sterk kleuren ->sterke basofilie door veel dna

Aneuploïdie ontstaat wanneer bij kerndeling chromosomen ongelijk verdeeld worden (=kenmerk bep tumoren: mozaïek cellen met hyper- en hypochromatische kernen)
Bij amitose ontstaan er meerkernige cellen doordat er wel kerndeling maar geen celdeling (cytodieresis) is: fysiologisch (regeneratie) of pathologisch
Amitose: toekomstige kernen gevormd worden maar cel deelt zelf niet in 2 dochtercellen -> 1 gigantische cel vol met kernen
Syncitiumvorming bij granulomateuze ontstekingen
Bij sommige tumoren

Reuzencellen: het kenmerken van granulomateuze ontstekingen
Worden gevormd in grote granulomen, gelijkachtig macrofagen
Moeilijk verteerbaar materiaal proberen afdoden
Macrofagen samensmelten


2.2.1.2. Kerninsluitsels of kerninclusies

Cytoplasma-insluitsels: bij stoornissen in mitose wanneer kernenveloppe ontstaat
Directe kerninsluitsels: eiwitten, glycogeen of vetten die binnen dringen via beschadigde kernporiën
Kerninclusies bij vergiftiging met zware metalen
Kerninclusies bij virusinfecties: bestaan uit viraal nucleïnezuur en viraal eiwit DNA-virussen (vb cytomegalovirus)
Dingen die er normaalgezien niet moeten zitten (=abnormale structuren in de celkern)


2.2.1.3. Degeneratieve kernzwelling


Bij ernstige toxische of hypoxische celbeschadiging
Evolueert dikwijls verder naar celdood
Kernwandhyperchromatose: condensatie chromatine tegen inwendige kernmembraan→ voorstadium van pycnose→ naderende celdood
(Karyo)pycnose, karyorrhexis en karyolyse: zie verder
Degeneratie: nog niet geleid tot de dood
Kern begint te zwellen, hypoxie (allerbelangrijkste etiologie degeneratie)
Kernzwelling snel gebeuren -> dna verdunt worden: hypochromatisch ->op bep moment lekken ->dna ineens tegen de imploderende kernenvelope aanliggen en condenseren tegen kernwand = hyperchromatose ->pyknosis: kern krimpt en chromatine condenseert->karyorrhexis: scheuren in brokjes -> karyolysis: oplossen van de kernbrokjes (kern verwijdert)
2.2.1.4. De nucleoli

Bevatten nucleoproteïnen en chromatine
Transcriptie en stockage nieuwe - mRNA transcripten
Hoe metabool actiever cel, hoe groter ze zijn →zeer opvallend in tumoren
Desintegratie nucleoli = eerste tekenen nucleaire degeneratie
Dergelijke desintegratie komt voor wanneer DNA of DNA polymerasen beschadigd zijn:
Infectie met DNA-virussen
Sommige toxines (vb aflatoxine (geproduceerd door schimmel Aspergillus))
Sommige chemicaliën (vb cyclophosphamide (chemo tegen kanker))
Nucleoli bevatten argyrofiele “nucleolar organizing regions” (Ag NOR):
DNA loops in nucleoli waar transcriptie van mRNA gebeurt
Hun aantal geeft indicatie van proliferatieve activiteit →significant gestegen bij bepaalde kwaadaardige tumoren
PROGNOSTISCH RELEVANT CRITERIUM

Ag-NOR
Zilverkleuring aan te duiden
Proliferatieve activiteit, hoeveelheid proliferatie dna vermenigvuldiging
Hoe kwaardaardiger, hoe sneller deling
2.2.2. De ribosomen
Translatie mRNA naar eiwit (via tRNA)

Desintegratie →degranulatie RER: # vrije cytoplasmatische ribosomen neemt toe
Bij rechtstreekse beschadiging ribosomale polymerasen
Onrechtstreeks na beschadiging nucleoli
Bij beschadiging membraan RER
2.2.3. Het ruw endoplasmatisch reticulum
Zeer opvallende letsels bij celbeschadiging!
Collaps
Fragmentatie
Degranulatie = loslaten ribosomen: LM zichtbaar als verbleking bij cellen met grote aggregaten RER, zoals neuronen (Nissl substantie) = chromatolyse

Normaal zwaar en klompig maar als het degranuleert gaat dit niet meer duidelijk goed gekleurde klompen krijgen (gaan verdwijnen = chromatolyse = kleur weg)
Degranulatieis transmissie-elektronenmicroscopisch (TEM) zichtbaar als cytoplasmatische korreling


Indien degeneratief celoedeem:
Instroom vocht in RER →vesiculatie (TEM)
Progressie naar vacuolaire degeneratie (LM)
Vorming confluentie vacuoles→ hydropische degeneratie
Vb:
Grass disease (afwezigheid ganglia enterisch zen. st.)
Rabbit Hemorrhagic Disease (RHD; calicivirus)
Heel die cel kunnen ontploffen: begint klein (enkel enkele blaasjes) -> vesiculatie -> vacuolaire degeneratie (lm kunnen zien): groter dan vesikels ->enkele organellen openscheuren: membranen zoeken elkaar op in cytosol en gaan samensmelten tot grote vacuoles ->confluentie vacuoles openscheuren en water als 1 grote waterballon in cel aanwezig

Ontstaan degeneratief celoedeem

Hypoxie: zorgen dat je geen productie hebt van atp ->geen energie ->geen Na/K pompen laten draaien ->constant water aanzuigen maar niet meer uitstoten ->zwellen
Rondom K watermantel: 3 hydratatiemantels naar buiten en 2 naar binnen
Netto 1 winst, maar energie hebben
Op bep moment zo ernstig dat cel letterlijk ontploft

Groot en bleek geworden
Kleurbaarheid zakt: verdunningseffect
Macroscopisch kunnen zien

2.2.4. Het Golgi complex
Verpakt en glycosyleert syntheseproducten van RER
Indien geen secretie: secreetgranulen blijven opgestapeld in cytoplasma→ aantal en aard geven LM indicatie van identiteit, differentiatiegraad en activiteit cel
Degeneratie bij onderbreking in eiwitsynthese, bv. typisch bij uitputting secretorische cellen (bv. bij diabetes mellitus met insulineresistentie waarbij β cellen eilandjes Langerhans intitieel in overdrive gaan, maar daarna volledig uitgeput raken)→ sterke vacuolisatie (opzwelling) Golgi complex


Diabetes patient: b cellen helemaal waterachtig geworden (opgezwollen en bleek)
Ook golgi apparaat: b cellen gaan in overdrive ->op bep moment burn-out-> geen insuline meer gemaakt worden (insulinetekort) ->golgi apparaat niets kunnen verpakken -> opzwellen en kapot
2.2.5. De mitochondriën
Mitochondriën erg gevoelig aan wijzigingen in factoren die metabole ritme controleren:
Zuurstofspanning
Waterbalans
Elektrolietenbalans
pH
Temperatuur
Producten glycolyse
HYPOXIE, KOORTS, ACIDOSE, TOXEMIE hebben sterke invloed!

Letaal beschadigd mitochondrion vertoont duidelijke morfologische veranderingen:
zwelling cristae (TEM)→ zwelling volledig mitochondrion = korrelige degeneratie (LM: korrelcellen)→ ATP-productie stopt→ cristolyse en neerslag calcium-sekwestrerende granules* →extreme zwelling leidt tot grote, structuurloze vacuoles (ballonnen) = vacuolaire degeneratie (LM)
*Calcium sekwestrerende granules: pompen calcium weg uit cytoplasma (o.a. bij contractie spiervezels). Bij celmembraanschade sijpelt constant calcium binnen→ granules overladen →LM fijne calciumneerslag in cytoplasma (= begin dystrofische verkalking)


Krebs cyclus + oxidatieve fosforylatie vereisen zuurstof om ETK thv mitochondriale membraan te voleindigen→ letsels bij hypoxie

Zwelling mitochondriën door hypoxie is legio in organen met hoog metabolisme, zoals hersenen, hart, longen, lever, …

Geen atp ->anaeroob energie vragen: lactaat ->zure pH ->lysosomen beginnen eigen cellen aanvreten -> Ca influx
Voorbeeld toxines die Krebs cyclus onderdrukken:
Arsenicum (As): bindt met -SH groepen van enzymen →vorming acetyl CoA geblokkeerd
Natriumfluoroacetaat (C2H2FNaO2): rodenticide dat omvorming citraat tot isocitraat remt
Ammoniak (NH3): bindt met α-ketoglutaraat
Cyanide (-CN): remt cytochroomoxidase

2.2.6. De lysosomen
2.2.6.1. Functie: vertering
Primair lysosoom: enzymen inactief
Fusie endosoom (fagosoom) en lysosoom→ enzymen in fago-lysosoom (sec lysosoom) geactiveerd
Lipide membranen moeilijk verteerd →residuele lichaampjes (myelinefiguren genoemd bij TEM door hun gelamelleerd uitzicht)


Eigen organellen afbreken: mitochondri verpakken in fosfolipidemembraan als autofagosoom = autofagie
Vertering komt op hetzelfde neer, maar niet altijd alles verteren ->restafval = residueel lichaampje (vaak uitgestoten door exocytose)
Residuele lichaampjes vaak zien als gelamilleerd figuurtje


Sommige intracellulaire vetten afkomstig van turn-over membranaire organellen geoxideerd tot autofluorescerend pigment = lipofuscine (ouderdomspigment dat in grote mate voorkomt in langlevende cellen zoals hart spiercellen en neuronen, en in metabool heel actieve cellen, zoals hepatocyten)
(=geelbruin intracellulair pigment dat ontstaat door oxidatieve beschadiging van membranen (lipideperoxidatie) en de daaropvolgende ophoping van onverteerbare resten in lysosomen)
Onafbreekbare vetten in restlichaampjes kunnen verzepen met vorming calciumzouten


Cardiomyocyten
Rondom kern tegen kernpolen aan
Contrast op TEM, roestig op lichtmicroscoop
Stel ouder dier dat ook nog verhongerd: cellen te weinig energie hebben ->zichzelf verteren om honger stillen ->veel autofagie ->macroscopisch zien: bruine atrofie
Eigen organellen opeten zodat je toch nog energie hebt voor de echte vitale organellen
Subletale celbeschadiging →nieuwvorming lysosomen (uitgaande GA) →gaan eigen beschadigde organellen verteren = autofagie via vorming autofagolysosomen <=> heterofagolysosoom

2.2.6.2. Autofagie
Bij extreem tekort aan nutriënten
Bij aanwezigheid waardeloos geworden celcomponenten of celorganellen
Typisch in lever waar zeer actieve cellen, in bijzonder mitochondriën, vlug versleten raken →dikwijls lipofuscine in lever
Verteren eigen celmateriaal kan volgens 2 mechanismen verlopen afh samenstelling en oorsprong:
Verpakken te verwijderen componenten of organellen in dubbele membraan afkomstig ER →autofagosoom dat versmelt met lysosoom tot autofagolysosoom
Verkeerd gevouwen of kapotte eiwitten gelabeld met ubiquitine. Verknippen gebeurt door 26S proteasoom, voornaamste extralysosomale protease waarna AZ opnieuw beschikbaar komen
Indien celschade extreem is raken lysosomen uitgeput en kunnen ze grote aanbod niet aan→ cel krijgt uitzicht gezwollen en schuimig door massa’s fagolysosomen die vol zitten met debris, membranen en vetten



Verhakselmachiene: proteasoom met protease (eiwitvertering)→ kapotte eiwit verteren
2.2.6.3. Defecten in fosfolipidenmetabolisme
Bij defecten in fosfolipidenmetabolisme ontstaan abnormale membraanfragmenten (dikwijls afkomstig van RER) die opgestapeld worden als membraanstukken binnenin (auto)fago lysosomen
Veralgemeende opstapeling niet-afgebroken (fosfo)lipiden in lysosomen wordt lipidose genoemd
Lipidose ontstaat bv. bij:
Rechtstreekse inactivatie enzymen die betrokken zijn in fosfolipidenmetabolisme (door bv. gentamycine = aminoglycoside antibioticum)
Binding bepaalde chemische stoffen aan fosfolipidemembranen (bv. chloroquine = GM tegen malaria veroorzaakt door Plasmodium; GM heeft als bijwerking oa gezichtsverlies)
2.2.6.4. Afweer tegen infecties
Mechanisme van kiemafdoding door fagocyterende cellen:
1. kiem hecht vast aan cel (attachment)
2. kiem gefagocteerd en komt terecht in fagosoom (fagocytose vs. pinocytose! zie ook verder)
3. fagosoom fusioneert met lysosoom tot fagolysosoom
4. intracellulaire degradatie van kiem door lysosomale hydrolytische enzymen

Intracellulaire pathogene kiemen: onderbreken cascademechanisme!
Facultatief intracellulaire bacteriën: kunnen overleven in gastheercel, maar hebben deze niet nodig (bv. Brucella)
Obligaat intracellulaire bacteriën: overleving afh gastheercel omdat ze gastheercelmachinerie (productie ATP) nodig hebben (bv. Chlamydia)

Mechanismen:
Vrijkomen uit fagosoom en zodoende vrij komen liggen in cytoplasma (bv. Listeria, Leishmania en Trypanosoma)
Kiem blijft in fagosoom maar verhindert fusie met lysosoom (bv. tuberkelbacillen (Mycobacterium), Salmonella, Brucella, Toxoplasma en Chlamydia)
Weerstandig aan lysosomale enzymen (bv. Leishmania, Salmonella, Staphylococcus en Mycobacterium leprae)

Bij intracellulair afbreken bacteriën door fagocyten worden deze beladen met grote, ringvormige residuele lichaampjes die geregresseerde (meestal verkalkte) bacteriën bevatten (syn. Michaëlis-Gutmann lichaampjes)
Macroscopisch is letsel gekarakteriseerd door bleke plaques = malakoplakia

2.2.6.5. Erfelijke lysosomale aandoeningen
Afwezigheid of functiestoornis lysosomale enzymen:
Enzyme afwezig →substraat opgestapeld (vb erfelijke afwezigheid lysosomale α-mannosidase)
Gestoorde enzymatische afbraak →substraat gehydrolyseerd tot onafbreekbaar product dat opgestapeld blijft (vb bij chronische opname door herkauwers giften bepaalde planten wordt α-mannosidase geremd)
Meestal genetisch →lysosomale stapelziekten (goed gekend bij mens waarbij meestal autosomaal en zelden X-gebonden recessieve gebreken zijn)
Hersenen: langlevende cellen →lysosomale stapelziekten geven symptomen zoals flauwtes, dementie, doofheid en blindheid
Monocytair fagocyterend systeem (MPS): fagocytose→ macrofagen milt dikwijls aangetast (bv bij ziekte Gaucher waarbij deficiëntie glucocerebrosidase vaak voorkomt in joodse geloofsgemeenschap)

2.2.7. De peroxisomen
Bevatten oxidase, catalase (in lichte perifere zone) en uricase = uraat oxidase (in centrale donkere zone; belang in purinemetabolisme (zie verder))
Beschermen celorganellen door omzetting H2O2 (waterstofperoxide) tot H2O →talrijk in omgeving beschadigde membranen
Aantal peroxisomen recht evenredig met serum vetfractie:
Peroxisomen breken langketenVZ via β-oxidatie af tot korte VZ die in mitochondriën verbruikt worden →stoffen die enzymen inactiveren of hun synthese blokkeren veroorzaken hyperlipidemie = hyperlipemie (zie verder)
Fibraten zoals clofibraat, ciprofibraat en gemfibrozil induceren toename van aantal peroxisomen →‘te hoge cholesterol’ bestrijdt

2.2.8. Het glad endoplasmatisch reticulum
Functie: detoxificatie via enzymen (vnl. cytochroom P-450) op GER die toxines biochemisch wijzigen →oplosbaarheid stijgt →uitscheiding door nier stijgt
Blootstelling aan giften (ook farmaca): hypertrofie GER
GER maakt sommige onschadelijke stoffen echter toxisch: bv. CCl4 geeft in lever omzetting tot vrije chloorradicalen die GER doen fragmenteren tot kleine vesikeltjes = vesiculatie →vacuolaire degeneratie→ hydropische degeneratie (cfr. RER)

2.2.9. De cytoplasmatische grondsubstantie
Normale inhoud:
Glycogeengranules (vnl in hepatocyten)
Vetdruppels (vnl. in adipocyten)
Ferritinehoopjes (o.a. in macrofagen in beenmerg)
Hemoglobine (in erythrocyten)
Keratine (in verhoornde epitheelcellen)
Enzymen voor glycolyse
Pathologische veranderingen:
Glycogeenopstapeling:
Erfelijke defecten aan glycolyse-enzymen →glycogeen massaal opgestapeld = glycogeenstapelziekte (glycogenose = extra-lysosomale stapelziekte) →problemen met energievoorziening indien vasten
Steroïd hepatopathie: overmatige opstapeling glycogeen in hepatocyten geïnduceerd door steroïdenovermaat (endogeen geproduceerd (Cushing) of exogeen toegediend)
Afbeelding: te weinig energie krijgen, zeker als je gaat vasten
Ziek worden ->enkel erger en erger worden
Bleek uitzien: wittige kristal vorm
Versuikerde lever
Grauwige kleur
Steroid hepatopathie
Niet door enzymeneffect, maar door opstapeling effect van te veel glucocorticosteroiden ->heel veel glucose omzetten in glycogeen dat opstapelt in de lever
Bv patient met cushing



Vetdruppels: voorkomen in cellen andere dan adipocyten dikwijls indicatie voor acute stofwisselingsstoornis. Vetdruppels niet omgeven door membraan
figuur: werking van cel in de weg zitten
Bv: hartspiercellen
Wijst vaak op metabole deficientie ->minder zuurstof: vz niet gebruiken
Hoog metabool actieve cellen als energiebron gebruiken ->maar je moet het kunnen verbruiken

Intracytoplasmatische inclusies
Amorfe eiwitafzettingen of kristallen bij sommige tumoren (aanmaak foute eiwitten)
Eosinofiele inclusies bestaande uit virus(precursormateriaal)

Opstapeling gefagocyteerd materiaal:
Ijzer: overdreven ijzeropstapeling in hepatocyten bij hemosiderose
Resorptiedruppels eiwitten in renale tubulusepitheelcellen bij proteïnurie
Koolstofpartikels opgenomen door longmacrofagen (pneumokoniose)


2.2.10. Het cytoskelet
Microtubuli: rigiditeit celvorm, mitose, leidraad voor intracellulaire beweging celorganellen
Microfilamenten: celbewegingen (cfr. chemotaxis)
Intermediaire filamenten: steun, overdracht van signalen

2.2.10.1. Microtubuli
Intracellulaire beweging celorganellen via motorproteïnen die verschuiven over microtubuli:
Kinesine: centrifugale beweging
Deneïne: centripetale beweging
Axonen: neurotubuli zorgen voor transport mitochondriën en lysosomen tot in axonuiteinden
Beschadiging bv door ioniserende straling of toxines (colchicine): mitose (spoelfiguur) verstoord
Verhoogde mechanische belasting: toename synthese

2.2.10.2. Microfilamenten
Vnl. actine staat in voor celbewegingen: fagocytose!
Hypoxie: contractiliteit daalt
Wondheling: contractiliteit stijgt →littekenretractie
Hoe ouder, hoe minder contractiliteit, hoe mooier littekens
Seniliteit: aantal neemt af

2.2.10.3. Intermediaire filamenten (later verder op in)
1. Cytokeratine: enkel in cellen epitheliale oorsprong (>20 soorten, meerdere soorten per cel mogelijk)
2. Vimentine: in cellen mesenchymale oorsprong (fibroblasten)
3. Desmine: spiercellen
4. Gliaal fibrillair zuur proteïne (GFAP): astrocyten
5. Neurofilamenten: neuronen
Via IHC kunnen weefselstalen van onbekende oorsprong gekarakteriseerd worden en kan classificatie van tumoren gebeuren

2.2.11. De plasmamembraan

2.2.11.1. Membraaneiwitten
Structuureiwitten
Enzymen
Ionentransportkanalen
Pompen
Intercellulaire connectie thv. gap junctions
Receptoren: op eiwitten glycoproteïnen gebonden ->specificiteit
Receptoren: bij sommige tumoren geen
Contact met buurman = contactinhibitie ->geen mitose
Maar tumor heeft dit niet dus blijft verder delen

2.2.11.2. Pathologie van de celmembraan
Bij tumorale cellen kunnen bepaalde receptorsystemen verdwenen zijn→ signaal voor beëindigen celdeling komt niet door
Ernstige mechanische beschadiging: letaal
Kleine gaten vanzelf gedicht door fysico-chem eigenschappen
Verloren membraan bijgewerkt door Golgi complex
Beschadiging plasmamembraan als gevolg premature activatie endogene enzymen in exocriene pancreas:
Tijdens normale voedselvertering activeren 2 enzymen die gesecreteerd worden door duodenum en jejunum de pancreas:
Secretine stimuleert secretie vocht en elektrolyten
Pancreozymine (cholecystokinine) stimuleert vrijstelling proteasen (o.a trypsinogeen), amylase, lipasen, nucleasen
Wanneer proteasen te vroeg geactiveerd (door cascade geïnitieerd door enteropeptidase afkomstig uit duodenum), met name in afvoerkanaaltjes pancreas, ontstaat acute pancreasnecrose. Komt frequent voor bij oude honden en bij pikant voedsel
Honden met pikante voeding: niet doen!→ acute pancreasnefrose krijgen
Hemoragische pancreatitis met veel necrose
Figuur: verteerde massa en inflammatie pancreas

Vetoplossende solventia en bep biologische toxines tasten plasmamembraan rechtstreeks aan
Slangengiften bevatten meestal fosfolipase A2
α-toxine Clostridium zet membraanlecithine (functie analoog aan cholesterol) om tot fosforylcholine en diglyceride →kleine defecten
Auto-immuunziekten: antistoffen tegen eigen plasmamembraan→ perforatie membraan en cellyse via complementactivatie
2.2.12. Cytologische letsels bij hypoxidose
Hypoxidose→ onderbreking ATP-productie:
Korte onderbreking →snelle glycogeenafbouw door anaërobe glycolyse → opstapeling melkzuur en daling pH→ membraan beschadiging → degeneratieve kernzwelling met kernwandhyperchromatose en vrijstelling met activatie hydrolytische enzymen uit lysosomen →denaturatie en neerslag oplosbare eiwitten
Langere onderbreking →stoornissen in alle E-afh celfuncties: Na/K-pomp en Ca-pomp vallen heel snel stil→ acuut celoedeem + opzwellen mitochondriën →onderbreking VZ-oxidatie in mitochondriën→ vetdruppeltjes opgestapeld in cytoplasmatische grondsubstantie
Nog langere onderbreking →verstoring eiwitsynthese
Ribosomen komen los van RER en ER zwelt op
Onvoldoende aanmaak enzymen →metabole omzettingen vallen stil
Geen aanmaak lipoproteïnen →geen mobilisatie vetten →vervetting
Membraanstoornissen →uitlekken enzymen naar extracellulaire ruimte en naar bloedserum ->diagnostisch in klinische biologie (zie pathofysio)

Morfologische cellulaire letsels:

Point of no return: ten dode opgesteld
Alles er boven: ziek maar kan genezen
Vanaf pyknosis, lysosomen, …. dood
2.3. Celdood: apoptose vs. necrose

2.3.1. Apoptose
2.3.1.1. Definitie
Apoptose = geprogrammeerde celdood →verkozen wanneer fysiologische vermindering cellen is (zie verder)
Speelt belangrijke rol in homeostase en eliminatie beschadigde, gevaarlijke of overbodig geworden cellen
Verkozen bij celvermindering onder pathologische omstandigheden, zoals bij virale infecties of hypoxie
Genetisch gecontroleerd mechanisme: zeer conservatieve apoptosegenen (“death genes”) (oa. Bid, Bax, Bak)
Nooit macroscopisch zichtbare massa’s dode cellen zien: indiv cellen
Geen ontstekingsreactie geïnduceerd omdat alles netjes opgeruimd wordt
2.3.1.2. Mechanismen van het apoptoseproces

Extrinsieke pathway = “death receptor” geïnitieerde pathway omdat “death receptors” die cytoplasmatisch “death domain” bezitten instaan voor leveren van apoptotische signalen
Receptor-ligand interacties: “death receptors” Fas-receptor en TNF receptor initiëren signaal transductie na binding met hun ligand, zijnde Fas ligand en TNF →omzetting pro-caspase 8 tot caspase 8 →activatie caspase 3 →activatie DNAase →DNA klieving
Cytotoxische T lymfocyte: kan deze trage pathway gebruiken (FasL tot expressie gebracht door geactiveerde T cellen), maar verkiest snelle intrinsieke pathway via granzymes (zie intrinsieke)

Intrinsieke pathway = mitochondriale pathway: leidt tot toename mitochondriale permeabiliteit met lekkage pro-apoptotische moleculen naar cytoplasma:
Groeifactoren en andere overlevingssignalen stimuleren productie anti-apoptotische moleculen van Bcl familie gelokaliseerd thv mitochondriale membraan
Bij deprivatie van overlevingssignalen, stress of DNA-schade komen Bcl proteïnen los van mitochondriale membraan en vervangen door pro-apoptotische eiwitten (zoals Bax, Bak en Bim)→ permeabiliteit mitochondriale membraan neemt toe→ lekkage cytochroom c en andere eiwitten die caspases kunnen activeren →activatie DNAase →DNA klieving
Cytotoxische T lymfocyte: granzymes induceren vrijstelling cytochroom c

Klieven dna waarbij kleine stukjes dna afzonderen met organellen in blebs (apoptotische lichaampjes) ->kleine cellen (apoptotische lichaampjes) om gefagocyteerd te worden
2.3.1.3. Fysiologische betekenis van apoptose
Apoptose staat centraal in ontwikkelingsprocessen: aantal cellen moet verdwijnen om tot definitieve structuur te komen
Bv: embryogenese→ verdwijnen “zwemvliezen” bij zoogdieren, apoptose thymocyten tijdens leren “self” vs. “non- self”
Apoptose speelt ook rol in normale fysiologische processen
Bv: desquamatie epithelia, afsterven thecacellen in ontwikkelende ovariële follikels

2.3.1.4. Pathologische betekenis van apoptose
Te weinig apoptose →kanker en auto-immuunziekten
Te veel apoptose →stofwisselingsstoornissen door tekort functionele cellen
Voorkomen:
1. Atrofie: verdwijnen aantal cellen die zich opofferen (bv hypoxie)
2. DNA-schade: anti-oncogen p53 = eiwit dat essentiële rol speelt in mitosestopzetting; dit eiwit checkt constant fouten in mitose
3. Sommige virussen induceren apoptose:
Door schade die ze toebrengen aan cel DNA
Doordat ze celcyclus storen
Via activatie IFN-induceerbare endonucleasen (zie Immunologie)
Apoptose virus-geïnfecteerde cellen kan via cytotoxische T lymfocyten (zie Immunologie)
4. Na expansie subpopulatie lymfocyten tijdens immuun respons wordt die populatie achteraf weer afgebouwd via controle oncogen Bcl-2 (zie werkcolleges)
5. Apoptose neutrofielen speelt rol in beëindigen ontstekingsreacties (zie les 14)
2.3.1.5. Karakteristieken van apoptose
Geen inductie ontstekingsreactie →verdere weefsel beschadiging voorkomen; immers, necrose van bv granulocyten gaat gepaard met enorme lekkage van lysosomale enzymen
Apoptose belangrijk wapen tegen tumoren → sommige chemotherapeutica stimuleren apoptose
Apoptotische cellen hebben op zichzelf immunosuppressief effect: apoptotische cellen gefagocyteerd door macrofagen door binding aan hun thrombospondinereceptor en vitronectine receptor (zie verder)

2.3.1.6. Morfologische karakterisatie van apoptose
In volgorde van verschijnen worden achtereenvolgens waargenomen:
1. Verlies intercellulaire juncties
2. Cel wordt kleiner en gaat afronden →cytoplasmafragmenten afgestoten die omgeven zijn door stukje plasmamembraan = blebbing
3. Cel gaat verschrompelen door verlies natriumionen en water
4. Chromatine gaat condenseren los van kernmembraan (≠kernwandhyperchromatose)
5. Kern kleiner en donkerder = karyopycnose
6. Nucleolus desorganiseert en verdwijnt
7. Kern valt in stukken uiteen = karyorrhexis. Elk stukje netjes verpakt in kernenveloppe
8. Eiwitten in cytoplasma gaan neerslaan en mantel vormen aan binnenkant plasmamembraan: transglutaminase-activiteit!
Endonuclease verantwoordelijk voor kernveranderingen, in bijzonder DNA-fragmentatie
Na deze stappen apoptotische cellen herkend door macro’s en gefagocyteerd

Cellen laten buurcellen los ->krimpen ->Na/K pompen heel hard pompen om al het vocht er uit te krijgen (kost veel energie om apoptose te doen) ->zo klein mogelijk maken van cel om die te verknippen ->kleine apoptotische lichaampjes -> fagocyteren



Gedurende ganse apoptoseproces blijven mitochondriën intact. Apoptose vereist immers ENERGIE!
Apoptose is erg onopvallend proces. Opsporen gebeuren via:
Aankleuren pycnotische kernen met zilver-methenamine
Immunohistochemisch aankleuren transglutaminase
TUNEL techniek gecombineerd met immunohistochemisch aankleuren van caspase
Pyroptose
Vorm geprogrammeerde celdood die wel gepaard gaat met ontsteking
Geïnfecteerde cellen herkennen pathogeen in zichzelf obv PAMP’s
Als reactie zal cel pro-inflammatoire cytokines secreteren, opzwellen en lyseren waarna er PAMP’s en DAMP’s vrijkomen →verdere versterking ontsteking
Lyseren gastheercel gebeurt na activatie caspase-1 door pyroptosoom / inflammasoom
Doel:
Gespecialiseerde immuuncellen aantrekken
Gastheercellen die door pathogeen misbruikt worden om te vermenigvuldigen worden uitgeschakeld
2.3.2. Necrose
2.3.2.1. Definitie
Plaatselijk pathologisch afsterven van cellen bij levende organismen→ gewelddadige celdood
Necrose = premortale verandering ≠ postmortale autolyse (zie verder)
Necrotische cellen kunnen macroscopisch zichtbare massa’s vormen
Cellulaire respiratie en syntheseprocessen houden op
Anaërobe glycolyse en lactaatvorming gaan nog enige tijd door→ intracellulaire pH daalt en osmotische evenwichten verstoord
Lysosomale hydrolasen geactiveerd bij lage pH en vrijgesteld →autolyse
Necrobiose: stadia net voor celdood
“Point of no return” →degeneratie irreversibel →necrose
Versch celtypes verschillen in hun gevoeligheid voor necrose
Lichaam sterft ->cellen sterven = post mortale sterfte
2.3.2.2. Oorzaken van necrose
1. Ischemisch infarct= totale obstructie van eindarteries (zie circulatie stoornissen) →hypoxidose →ischemische / oncotische necrose


2. Hemorrhagische infarcering (door obstructie veneuze retour) →stuwing = congestie →hypoxidose →necrose

Veneuze retour geblokkeerd (infarcering: veneus, infarct: arterieel)
Bv in darm: dunwandige venen afgesnoerd bij torsie, arterie gaat niet afgekneld worden
Er kan geen bloed meer weg maar er komt nog wel bloed aan
Na tijd zo veel druk dat tegendruk = aankomend bloed ->gestuwd bloed krijgen
Bloed vastzitten ->zuurstof op ->cyanotisch bloed (donker bloed)
Geen bloed meer bij: geen zuurstof meer bij ->afsterven orgaan
Torsio testis
Testikel omdraaien, spontaan (tijdens seks)
Damps vrijkomen
3. Druknecrose huid:
Bij aangebonden dieren, thv beenderige uitsteeksels; doorligwonden
Door constante druk kleine bloedvaatjes dichtgedrukt→ hypoxidose→ necrose

4. Etsende werking van chemische stoffen:
Zuren (vb. HCL)→ coagulatienecrose (verklompingen eiwitten)
Basen (vb. KOH)→ colliquatienecrose (oplossen eiwitten)
Lijken oplossen met KOH

5. Thermische en elektrische oorzaken →coagulatienecrose
bv. recoverylamp, warmtelamp (hoogte!), warmtemat, elektrocauter
Thermisch: dichtsnoeren van bloedvat

6. Bacterietoxines →toxische necrose (bv toxines Fusobacterium necrophorum)

2.3.2.3. Veranderingen in het cytoplasma
Veranderingen in cytoplasma bij necrose hebben in eerste instantie te maken met membraanbeschadigingen die leiden tot intracellulair oedeem →bleke, waterige cel op HE-kleuring
1. Zwelling mitochondriën
2. Zwelling en later fragmentatie ER en Golgi-complex
3. Cristolyse in mitochondriën
4. Lysosomale membranen lossen op
5. Ribosomen verdwijnen
6. Er ontstaan autofagie vacuolen (cel verteert zichzelf omwille van E-behoefte)
Autolyse (cel lyseert oiv eigen vrijgekomen enzymen) of heterolyse (cel lyseert oiv enzymen die uit naburige cel lekken) →directe vervloeiing cel = colliquatienecrose
Wanneer cel eigen eiwitten vroegtijdig gaan denatureren met onttrekken van water
Contouren cel blijven bewaard = coagulatienecrose
Door denatureren en neerslaan eiwitten ontstaat hogere affiniteit voor eosine→ eosinofilie stijgt
2.3.2.4. Veranderingen aan de celkern
Minder uitgesproken dan bij apoptose
Veranderingen aan celkern treden bij necrose pas op laatst op, na cytoplasmatische veranderingen
Bij apoptose treden cytoplasmatische en nucleaire veranderingen nagenoeg simultaan op waarbij mitochondriën intact blijven tot op laatst
Bij necrose zien we deze kernveranderingen in chronologische orde:
1. Verklomping nucleus
2. Kern opzwellen en afronden
3. Kernwandhyperchromatose
4. Karyopycnose: verschrompeling celkern met verklomping chromatine en verdwijnen nucleolus
5. Karyorrhexis: kernmembraan verdwijnt en brokstukken heterochromatine liggen los in vervallen cytoplasma
6. Karyolyse: kernbrokstukken lossen op in vervallen cytoplasma oiv vrijgekomen lysosomale enzymen of inwerking granulocyten of bacteriën


2.3.2.5. Veranderingen in de extracellulaire componenten
Afh weefseltype
In steunbw proteoglycanen afgebroken door lysosomale hydrolasen
Geordende structuur collageen, basale membraan en elastine gaat verloren
LM ziet men oedeemen homogeen eosinofiel stroma
2.3.2.6. Vormen en uitzicht van necrose
2.3.2.6.1. Coagulatienecrose
Intracellulaire eiwitten slaan neer
Milieu is eerder waterarm
Slechts beperkte lytische processen
=>letsel eerder droog, brokkelig en vast, mat en bleek van kleur. Het is goed afgebakend en een beetje verzonken
Vooral in aansluiting met ischemie of hart
Bij algemene hypoxie (vb. anemisch infarct nier zien vooral papillairspieren en de centrolobulaire levercellen af)
Bij inwerking sterke zuren en bij bep bacteriële infecties (zie hoger)

2.3.2.6.2. Colliquatienecrose
Begint met intracellulair oedeem →“oedeemnecrose” die voortvloeit uit hyperhydratatie cellen
Lytische processen domineren →weefsel zal vervloeien door vrijgekomen lysosomale enzymen (nadat cellen opengebarsten door enorme intracellulaire oedeem)
Verweken en vervloeien van weefsel =malacie (mayonaisse-achtig worden)
=>haard van colliquatienecrose evolueert tot holte gevuld met vocht en afgebakend door kapsel →cyste
Vb:
CZS!
Pancreas!
Bij inwerking sterke basen
Bij infectie met sommige bacteriën
Bij bepaalde deficiënties (bv. thiaminedeficiëntie)

2.3.2.6.3. Verkazing
Gelijkt macroscopisch heel goed op coagulatienecrose
Echter, celcontouren verdwijnen →structuurloze necrose
Oud/chronisch letsels dat smeuïg aanvoelt
Vb
Tuberculeuze granulomen (denaturatie celeiwitten en opstapeling kapsellipiden bacillen)
Andere bacteriële infecties (Yersinia en Corynebactrium pseudotuberculosis, Treponema pallidum (syfilis bij de mens))

2.3.2.6.4. Fibrinoïde necrose
Coagulatienecrose bw met denaturatie bwvezels (gelijkt door eosinofilie op fibrine), lyse fibroblasten en neerslaan plasma-eiwitten (o.a. fibrine)
Treft vaatwand, die degenereert en necroseert op rheumatoïde wijze (zie verder)

2.3.2.6.5. Vetweefselnecrose = steathonecrose
Adipocyten depotvet sterven af met enzymatische hydrolyse en peroxidatie vrijgestelde neutrale vetten die niet meer omgeven zijn door plasmamembraan
Macroscopisch geel-grijze tot krijtachtige haardjes (verzeping)
Microscopisch vormen vetten amorfe of uitgekristalliseerde massa, omgeven door ontstekingsreactie

3 oorzaken:
1. Enzymatisch veroorzaakte steatonecrose: in aansluiting met acute pancreasnecrose →enzymen uit exocriene pancreas komen vrij en tasten vetweefsel rond pancreas en in mesenterium en omentum aan → enzymatische hydrolyse vetten en verzeping met Ca2+
Vroege activatie enzymes in pancreas zelf (bv pikant voedsel hond)


2. Alimentair-dysmetabool gemedieerde steatonecrose: bij hoog gehalte aan PUFA’s in voeder en relatief tekort aan vit. E en Se→ peroxidatie vetten in cel→ vorming ceroïd (zie les 7) →geelverkleuring vet (yellow fat disease bij varken en soms ook kat)
3. Traumatisch en / of circulatorisch gemedieerde vetweefselnecrose: gevolg van ischemie →kan dus op versch plaatsen in lichaam
Kenmerkend: adipocyten necroseren, maar er is slechts gedeeltelijke enzymatische hydrolyse van neutrale vetten →slechts gedeeltelijke verzeping, maar wel erge ontstekingsreactie
Vb: presternale verkalking bij rund (cossumvet!)

2.3.2.6.6. Gangreen
= Necrose die nog secundaire veranderingen ondergaat
1. verdroging: droog gangreen →weefsel mummificeert→ bruine - zwarte kleur krijgt
2. verrotting: vochtig gangreen →omzetting hemoglobine naar sulfhemoglobine door rottingsbacteriën geeft weefsels groene kleur
gasvorming: gasoedeem →vaak na vochtig gangreen

1. Droog gangreen = droog versterf = mummificatie
Necrosehaard droogt snel uit →milieu geraakt snel ongeschikt voor rottingsbacteriën →nooit septicemie
Meestal aan uiteinden extremiteiten (vb hanenkam, oorranden muis, staarttop, vingers, …) bv na bevriezen
Etiologie: toxisch, mechanisch of thermisch met inductie ischemie
Macroscopisch aspect: weefsel zwart-bruinverkleurd, houtachtig verhard en verschrompeld
Gemummificeerde foetus of lithopedion (steenvrucht = mummie die verkalkt is) wordt niet als gangreen beschouwd aangezien gehele mechanisme afsterft (necrose = intravitale celdood!)


2. Vochtig gangreen = vochtig versterf
Necrosehaard bevat rottingsbacteriën (reeds aanwezig of ingedrongen)→ letsel gaat vervloeien door lytische enzymactiviteit
In vochtig milieu
Door aanwezigheid rottingsbacteriën gevaar voor septicemie →prognose slechter dan bij droog versterf
Zowel bij weefsels aan lichaamsoppervlak als inwendig
Macroscopisch aspect: vuilbruine - groene kleur, vochtig en rotte geur
Door resorptie toxische stoffen uit gangreneus weefsel ontstaan steeds algemene ziektesymptomen zoals koorts
Klinisch belangrijke vorm van vochtig gangreen wordt gezien in afgesnoerd darmsegment (zie hemorrhagische infarcering)


Gasoedeem = vochtig gangreen dat crepiteert
Bij infectie met Clostridium diverse gassen geproduceerd (H2, CO2, H2S, CH4, NH3) →weefselemfyseem (opstapeling gas in weefsel)
Dergelijke infectie ontstaat soms in aansluiting met niet-steriele IM injectie thv halsmusculatuur paard
Clostridium aanwezig in bodem -> mee ingespoten in spier ->minder zuurstof in spier dan in omgeving er rond ->anaeroob kunnen ontwikkelen ->gassen produceren ->autopsie: zwart, vuil, gas, stinkend
Behandeling: hyperbare zuurstoftank

2.3.2.7. Gevolgen en verdere evolutie van necrose
Necrose →reactie van organisme: mobilisatie granulocyten en ware ontstekingsreactie (zie les 13 en 14)
Doel ontstekingsreactie:
Dode weefsel afbakenen tov vitale
Resorptie, reparatie en regeneratie starten
Indien dit niet mogelijk is volgt demarcatie en sekwestratie waarbij dode weefsel als sekwester afgestoten wordt
Resultaat ≈ regeneratievermogen weefsel, omvang necrosehaard, aard en inwerkingsduur noxe
5 mogelijkheden voor verdere evolutie:
1. Restitutio ad integrum:
Bij kleine, oppervlakkige necrosehaarden
Bij weefsel met sterke regeneratiecapaciteit
Indien geen verdere inwerking noxe
Vaatbindweefselstructuur weefsel bewaard gebleven
Basaalmembraan epithelia bewaard gebleven
2. Afstoting: door demarcatie oppervlakkig gelegen necrosen
Ulceratie of littekenvorming (zie verder)
Amputatiefenomeen bij droog gangreen aan extremiteiten
=>Snelle wondheling zonder verdere complicaties
=>Chronische ulceraties

3. Verlittekening: necrotisch materiaal gefagocyteerd (macrofagen) en vervangen door bw = littekenweefsel
In littekenweefsel vetcellen ontstaan →pseudohypertrophia lipomatosa (vnl in spierweefsel; zie verder)
Door littekenretractie (zie verder) kan postnecrotische atrofie ontstaan
4. Littekencyste:
Bij uitgesproken colliquatie necrose →reparatie beperkt tot rand →pseudocyste of littekencyste
In organen met sterk ontwikkeld kanalen- of alveolensysteem: ontwikkeling grote cavernen. Necrotisch materiaal via kanalen geëlimineerd
Litteken in slokdarm: druknecrose door stikken in stuk appel ->ring necroses ->littekenweefsel opkomen ->vernauwing op die plaats = stenose

5. Sekwestratie:
Bij uitgesproken coagulatie necrose →resorptie en reparatie beperkt tot rand →sekwestratie
Necrotisch materiaal blijft ter plaatse, droogt verder uit en omgeven door bindweefselkapsel
In dwarsgestreepte spieren (vb Carréziekte bij varken), longen en melkklier
Verder verloop afh steriliteit →steriele sekwesters gaan verschrompelen en verkalken
Soms ontstaan sec fistels waarlangs sekwester uitgescheiden
Beensekwester: beenstukje dat door trauma losgeslagen en bloedvoorziening heeft verloren

2.3.2.8. Gevolgen van necrose voor het gehele individu
Aseptische necrose: toxines die vrijkomen uit celverval kunnen auto-intoxicatie veroorzaken →beschadiging cellen nier, bijnier, lever en hartspier (cfr. reperfusion injury)
Septische necrose: additioneel effect bacteriële toxines of zelfs ontstaan gegeneraliseerde bacteriële infectie met septicemie (cfr. vochtig gangreen)

Necroptose: vorm van necrose die gereguleerd is
=geprogrammeerde vorm van necrose, het is als het ware een combinatie van apoptose en necrose:
Gecontroleerd en via signaalwegen geregeld (zoals apoptose).
Eindigt met celzwelling, membraanruptuur en ontsteking (zoals necrose)
Caspase-onafh
Anti-virale strategie
Ook bij ziekte van Crohn, pancreatitis, hartinfarct, reperfusion injury, atherosclerose, …
Necrosoom/ripoptosoom permeabiliseert plasmamembraan en membranen organellen →DAMP’s komen vrij →immuunrespons versterkt

2.4. De dood van het individu
2.4.1. Het vaststellen van de dood
Exitus letalis: wanneer hart, AHS en ZS opgehouden hebben te functioneren
Vredig gebeuren (typisch bij CO-intoxicatie) of na helse doodstrijd = agonie
Organen sterven niet synchroon af:
Cornea, huid en nieren blijven nog 6 uur leven
Beenderen en bindweefsel leven nog 12 uur
Zaadcellen leven nog 3 dagen
Humane geneeskunde: dood indien gedurende 20 minuten geen signaal op het EEG
2.4.2. Postmortale veranderingen en het vaststellen van het tijdstip van sterven
1. Rigor mortis = lijkstijfheid: lichaam verstijft in houding waarin het lag
Autolytische beschadiging sarcoplasmatisch reticulum →Ca2+ influx in cytoplasma (fysiologisch gebeurt dit slechts na neuromusculaire prikkeling) →Ca2+ bindt op troponine dat geassocieerd is met tropomyosine → tropomyosine roteert rondom actinemolecule→ bindingsplaatsen voor myosine op actine komen vrij →opgebruiken nog aanwezige ATP tijdens contractie myofibrillen
Contractie myofibrillen verloopt als volgt: (1) binding ATP op myosine verbreekt verbinding met actine, (2) hydrolyse ATP stretcht kop myosine, (3) myosinekop kan nu aan actine binden en buigt = contractie, (4) ADP en P vrijgesteld waardoor proces opnieuw kan beginnen
Na dood ATP geproduceerd via anaërobe glycolyse →melkzuur productie →pH daalt →verdere destabilisatie sarcolemma →Ca2+ vrij
Zolang ATP geproduceerd contraheren spieren steeds meer
Bij uitputting ATP blijft spier gecontraheerd aangezien nieuw ATP moet binden op myosinekop om verbinding met actine verbreken
Volgorde verstijven spieren: hartspier en diafragma →halsspieren en kop →andere skeletspieren
Start 1–6u na dood, max 5-8u na dood
Na 48u bij kamertemperatuur stopt rigor mortis door autolyse (door vrijgekomen lysosomale enzymen) actine-myosine complexen
Bij koel bewaren duurt rigor langer omdat autolyse vertraagd
Bij sterke inspanning / stress voor dood treedt rigor sneller in en houdt ze ook vroeger op door pre-mortale depletie glucosevoorraden in spieren → geen ATP meer gemaakt kan worden ->negatief voor rijping vlees (dus stress tijdens transport naar slachthuis en in wachtruimte verhinderen)

Na dood gaan ook gladde spieren, zoals maag, contraheren →zandlopermaag (≠soortgelijke zandlopervormige maag die ontstaat bij hiatus hernia waarbij maag uitpuilt in thorax via hiatus oesophagea)

2. Algor mortis = afkoelen
Bij mensen en kleine huisdieren op kamertemperatuur ~1°C / h
Herkauwers koelen trager af door warmteproductie ruminale bacteriën (ze warmen initieel zelfs op)
Bij grote huisdieren veel warmte geproduceerd door rottingsbacteriën→ produceren ook gas tijdens verrotting = postmortaal emfyseem
Variaties naargelang lichaamstemperatuur voor dood (koorts, hyperthermie, spastische spiercontracties bij tetanus of strychnine vergiftiging, omgevingstemperatuur), isolatie karkas (hoog vetpercentage bij obese dieren, wol bij het schaap), … niet echt praktisch
3. Postmortale hypostase = uitzakken bloed naar laagst gelegen delen door inwerking zwaartekracht

4. Livor mortis = lijkvlekken: zones op huid waar capillairen sterk gevuld zijn met bloed (= vorm hypostase; zie verder)
Ontstaan binnen half uur na dood en zijn aantal uren verplaatsbaar onder vingerdruk
Later zal bloedvatennetwerk geautolyseerd worden en ontstaat haemolytische imbibitie weefsels (roodverkleuring weefsels door contact met vrijgekomen haemoglobine)

Uitgezakte bloed: donker cyanosisch
Contactpunten met tafel: dichtgeduwde capillairen ->lijkvlekken (wit)
Bij invriezen: intracellulaire water ijskristallen vormen ->cellen kapot prikken ->cellen leeglopen en hemoglobine ook doorsijpelen (veel roder)
5. Dodenogen = corneatroebeling door oppervlakkig uitdrogen
Wordt zichtbaar na 6-8u
Later vermindert ook turgor oogbol (door vochtverlies)
6. Postmortale autolyse = verval weefsels door vrijkomen lichaamseigen lysosomale enzymen
Gelijkt goed op necrose, er ontstaat uiteraard wel geen ontstekingsreactie (kernwandhyperchromatose→ karyopycnose→ karyorhexis→ karyolysis + cytoplasmatische verklomping, vacuolisatie, basofiele schrompeling of eosinofiel-schuimig worden)
Darmmucosa, galblaasmucosa en de pancreas à milt en lever

7. Verrotting = putrifactie
Diverse micro-organismen dringen lichaam binnen via huid, longen of vanuit darm
Voornamelijk beweeglijke anaëroben
Gasproductie →verrottingsemfyseem (weefsels hebben schuimig uitzicht)→ soms rectumprolaps door druk inwendige organen
Rottingsgassen bevatten veel H2S →weefsels kleuren groen-zwart = pseudomelanose (ijzersulfidevorming met ijzer uit lichaam aanwezig in hemoglobine en myoglobine)

2.5. Pathologie waterhuishouding van de cel
2.5.1. Inleiding
Lichaam: 60 à 70% water
60% zit intracellulair – 30% zit extracellulair
10% bevindt zich intravasaal →bloedvolume = 7% lichaamsgewicht
(Zie verder cursus fysiologie)
2.5.2. Dehydratatie (cursus Pathofysio)
Dehydratatie = afname hoeveelheid extracellulair water = exsikkose →weefsels minder elastisch (cfr. huidturgor)
Hypovolemie = verminderd bloedvolume (zie verder) →afname hoeveelheid intracellulair water volgt
Voorkomen: meestal bij verlies vocht en/of elektrolyten via maag-darmkanaal of nieren:
Hypotone dehydratatie: bij verlies water en Na bij diarree of braken →absoluut Na tekort (bij eenzijdig opnemen water ontstaat relatief Na tekort)
Bij gestoorde terugresorptie Na in tubuli nieren
Bij aldosterontekort: Na+/K+-pomp thv niertubuli draait niet goed
Hypertone dehydratatie: eenzijdig verlies water via nieren bij polyurie of renale diabetes insipidus (ontbreken ADH of ongevoeligheid nieren→ diurese)


Vaststellen dehydratatie op lijkschouwing:
Verkleining organen
Droog aspect, vastere consistentie
Verminderde elasticiteit →verminderde huidturgor
Intense, donkere kleur op doorsnede
Opletten bij kadavers die reeds gekoeld werden en/of langere tijd bewaard werden →postmortaal uitgedroogd!

2.5.3. Vormen van degeneratie door stoornissen in de waterhuishouding
2.5.3.1. Pathofysiologie
Water kan passief door membranen diffunderen oiv osmotische concentratiegradiënten (osmose)
Elektrolyten door actief transport tegen concentratie gradiënt in gepompt
Water volgt elektrolyten onder vorm van hydratatie mantel

Stoornissen in waterhuishouding cel:
Extra-cellulaire oorzaken
Watertekort (dehydratatie) →afname intracellulair water
Overaanbod aan water (oedeem) →toename intracellulair water
Elektrolytentekort (bv hyponatriëmie) →toename intracellulair water
Intra-cellulaire oorzaken
Stoornissen in energieproductie (hypoxidose) →toename intracellulair water
bv: stilvallen Na pomp →stijging intracellulaire osmotische druk →niet-gebonden water uit weefsels stroomt cel binnen + retentie intracellulaire water →celoedeem
Membraanbeschadigingen →afname intracellulair water (cel loopt leeg)
Celoedeem uit zich macroscopisch als diffuse zwelling parenchymen:
Organen geheel gezwollen
Week tot zelfs broos
Bleek
Mat, gekookt uitzicht op doorsnede
Bevatten weinig bloed

Meerdere microscopische degeneratievormen:
1. acuut degeneratief celoedeem
2. vacuolaire degeneratie
3. hydropische degeneratie
4. ballonerende degeneratie

2.5.3.2. Acuut degeneratief celoedeem
Cellen vergroot
Cytoplasma kleurt zwak
Kern vergroot en heeft bleek karyoplasma (degeneratieve kernzwelling)
Duidelijke, vergrote nucleoli
TEM: lichte uitzetting RER met loslaten ribosomen (= vesiculatie)
LM: fijne korreling in cytoplasma te wijten aan opgeblazen mitochondriën = korrelige degeneratie (korrelcellen)
Dikwijls gevolg van toxische of hypoxische inwerking op membraan systemen of op energieproductiesystemen in mitochondriën
Normaalgezien reversibel

2.5.3.3. Vacuolaire degeneratie
Verergering van voorgaande, maar nog steeds reversibel
Oorzaken zijn dezelfde
Meestal in epitheelcellen lever en nier (hoog metabolisme!)
In lever dikwijls al enkele cellen afgestorven = single cell necrosis
Ook in neuronen CZS
Blaasvormige opzwelling mitochondriën en zakvormige verwijding van ER is extreem
LM vacuoles in cytoplasma: nog duidelijk afgelijnd door membraan
DDx met opstapeling glycogeenaggregaten en vetdruppeltjes

2.5.3.4. Hydropische degeneratie
Ernstige vorm van degeneratief celoedeem
Zo goed als irreversibele celbeschadiging
Membraansystemen scheuren en lossen op →vacuoles niet meer afgelijnd door membraan
Structuren, zoals mitochondriën en ER vloeien samen tot grote, met water gevulde ruimtes = confluentievacuoles
Kern uiteindelijk naar perifeer gedrongen

2.5.3.5. Ballonerende degeneratie
Bijzonder extreme vorm hydropische degeneratie
Bij infecties met bepaalde epitheliotrope virussen (vb. mond-en klauwzeervirus of wind/waterpokken)
Necrose en lyse aangetaste cellen resulteert in grote met vocht gevulde blazen = vesikels = aften (‘water’pokken)



2.6. Pathologie van de koolhydraatstofwisseling
2.6.1. Inleiding
Lever speelt centrale rol in koolhydraatmetabolisme
Glycogeen vertegenwoordigt 4% levervolume
Glycogeen afbraakenzymen zijn inactief aanwezig in cytoplasma
Glycogeen, glycosaminoglycanen en glycoproteïnen zijn LM zichtbaar met PAS reactie
In spiercellen liggen kleine glycogeengranulen verspreid tussen contractiele vezels (cfr rigor mortis)
Bij glycogeenstapelziekten zijn centrolobulaire cellen ergst getroffen: hypoxie aan einde sinusoïden!
Centrolobulaire cellen just genoeg zuurstof, bij minste probleem hypoxie
Glycogeen lost gedeeltelijk op tijdens processing voor LM →optisch lege ruimten

2.6.2. Diabetes mellitus
2.6.2.1. Omschrijving van de aandoening
Diabetes mellitus ontstaat door:
Onvoldoende synthese actief insuline (absoluut tekort)
Verhoogde vorming of aanwezigheid insuline-antagonisten: insulineresistentie (relatief tekort)
Symptomen:
Hyperglycemie (“mijn suiker staat te hoog”)
Glucosurie (“mellitus”: urine smaakt zoet; nu teststrips)
Polyurie – polydipsie: PU / PD (klinisch heel belangrijk symptoom bij tal van endocriene ziekten)
Toxische keto-acidose (door gluconeogenese)
Coma diabeticum (door keto-acidose en hyperosmolariteit thv hersenen)
Katten stress op consultatie: door adrenaline extra suikers in systeem ->vals positieve verhoogde bloedglucose

Mag niet verward worden met voorbijgaande hyperglycemie, bv bij katten onder stress (op consultatie)→ één enkele bloedglucose bepaling is niet diagnostisch→ beter fructosamines bepalen die 3-tal weken circuleren
Functies insuline: zie cursus fysiologie
Verlaging plasmaspiegels glucose, eiwit en vet

2.6.2.2. Vormen van diabetes mellitus
1. Primaire beschadiging β-cellen eilandjes van Langerhans in pancreas (exocriene pancreas intact) →cel oedeem en degranulatie eilandjescellen leidend tot numerische atrofie →eilandjes zijn zo goed als verdwenen
2. Algemene destructie van de pancreas inclusief de eilandjes

2.6.2.2.1. Primaire beschadiging van de β-cellen
Twee vormen:
Primaire diabetes mellitus: absoluut insulinetekort
Oorzaak van verdwijnen eilandjes is vaak onbekend
Bij honden beide geslachten, waarbij multifactorieel probleem is waarbij auto immune destructie β-cellen waarschijnlijk is
Bij kat is deze aandoening meestal geassocieerd met amyloïdose (zie verder) van eilandjes omdat insuline en amyline samen gesecreteerd worden (vnl bij vraatzuchtige katten met hoge vraag naar insuline)

Secundaire diabetes mellitus, geassocieerd met hormonen (= niet-insuline afh diabetes mellitus: minst voorkomende vorm) door uitputting β-cellen door overmatige insuline productie om anti-insulinaire hormonen te counteren ontstaat primaire diabetes mellitus):
Progesteron-STH diabetes: bij oudere teef na loopsheid of tijdens dracht (idem zwangerschapsdiabetes bij vrouw)
Langdurige progesteroninvloed →stijging groeihormoon (STH)→ downregulatie insulinereceptoren →hyperglycemie met verminderde glucosetolerantie (→uitputting insuline in overmatig synthetiserende β-cellen); lost zichzelf op tijdens anoestrus
Steroïd diabetes (zeldzaam): langdurige toediening hoge dosissen cortisol of ACTH
Hyperplasie of functionele tumoren adenohypofyse of bijnierschors →Ziekte van Cushing


Tumor functioneert autonoom
Centraal: beide bijnieren stimuleren ->cortisol productie
Specifiek bijnier: 1 van beide bijnieren -> neg feedback ->geen acth secretie dus gezonde bijnier gaat in atrofie gaan
Cushing syndroom: stoornissen in eiwit-, vet- en koolhydraatstofwisseling
Eiwitstofwisseling: katabolisme
Atrofie skeletspieren, haarwortelcellen, schildklier en reticulo endotheliale cellen
Osteoporose (zie verder) →metastatische verkalkingen want hypercalcemie door loslaten Ca uit osteoporotische skelet
Vetstofwisseling: herverdeling vet →‘adipositas’ uitzicht + hyperlipemie→ atheroma’s in arteriën →sterfte
Koolhydraatstofwisseling:
Gluconeogenese →hyperglycemie →glycogeenopstapeling in lever: vergroot (hepatomegalie) + grauw-bruine kleur = glucocorticoïde / steroïd hepatopathie: bloedsuiker door insuline-afh activatie glycogeensynthase in lever omgezet tot glycogeen
Insulineresistentie (ernstig bij 10%): verminderd glucoseverbruik in extrahepatische weefsels (glucose geraakt cellen niet in) →hyperglycemie →lever (insuline onafh): glucose →glycogeen
Glucosurie (insuline (mellitus!), want terugresorptiecapaciteit nier overschreden; osmotische diurese volgt (polyurie)
Hyperinsulinemie als reactie op hyperglycemie →uitputting β cellen

Hoe interfereert hypercortisolemie met de werking van insuline? (Prof. J. Leroy)
Hypercortisolemie leidt tot:
Opgereguleerde gluconeogenese in lever →aanhoudende hyperglycemie→ pancreas compenseert met hogere insulinesecreties, maar langzaamaan uitgeput→ insuline “incompetentie” of te lage [insuline] door falende pancreas
Cortisone zal ook werking HSL stimuleren→ meer vetafbraak en meer NEFA’s in bloed
Negatief effect op vermogen pancreas om insuline maken (lipotoxiciteit)
Negatief effect op perifere insulinegevoeligheid
Hyperglycemie op zich kan gedaalde insulinegevoeligheid induceren
Hoge cortisoneconcentraties kunnen ook rechtstreeks thv weefsel werking insuline teniet doen

2.6.2.2.2. Algemene destructie van de pancreas
Algemene destructie pancreas inclusief eilandjes wordt gezien bij:
Acute necrose
Chronische ontsteking (pancreatitis)
Infiltrerende tumoren
Auto-immuunprocessen, … (zie inwendige ziekten)
Slechts insulinetekort wanneer grootste deel pancreas kapot is

2.6.2.3. Letsels bij diabetes mellitus
Algemene neuropathieën en angiopathieën (oa atherosclerose): suiker giftig en tast cellen aan die ermee in contact komen
Glomerulaire micro-angiopathie verder evoluerend naar diabetische glomerulosclerose / nefropathie →verhoogde permeabiliteit thv glomerulus →polyurie (+ polydipsie)
Cataract: lenstroebeling oiv gestegen suikergehalte in lens (=versuikert)
Bij insulinetekort: vermindering glycogeenreserve in hepatocyten en finaal vermageren door aanboren vetreserves om energie te creëren (lipolyse) (echter dikwijls ook polyfagie als reactie)
Bij insulineresistentie met hyperinsulinemie: verhoging glycogeen- en vetreserve (lipogenese)
Bij glucosurie: glycogeenopstapeling in tubulusepitheelcellen nier (glucose opgenomen door epitheelcellen tubuli contorti II en intracytoplasmatisch gepolymeriseerd tot glycogeen)
Centrolobulaire tot diffuse levercelvervetting te wijten aan:
Verhoogde lipolyse →overaanbod VZ uit vetdepots →overspoelen lever →enzymen kunnen VZ niet volledig oxideren →overmaat aan ketonen → → diabetische keto-acidose →diabetisch coma
Verminderde eiwitsynthese + relatief tekort aan lipotrope substanties om lipoproteïnen te maken→ vetten kunnen niet uit hepatocyten vrijgesteld (zie verder)

Verhoogde bloedsuikerspiegel →verhoogd suikergehalte in corpus vitrium →omzetting glucose naar sorbitol: lens geen enzymen om sorbitol af te breken →lens ‘versuikert’
Neuropathie veroorzaakt door alteratie van polyol pathway waarin glucose →sorbitol →fructose in Schwanncellen
Symptomen: zwakte in achterhand, moeilijkheden bij springen, plantigrade steun, spieratrofie, verminderde reflexen en houdingsreflexen

2.6.3. Letsels bij ketonemie
Ketonemie kan bij elke diersoort, maar belangrijkst is rund
Bij rund, schaap, konijn en cavia ook aan einde dracht
Ketonemie bij rund kan ontstaan bij lebmaagdilatatie en tijdens lactatiepiek: massa glucose nodig voor vorming lactose →relatief glycogeentekort →glucose via gluconeogenese
Lipolyse (o.i.v. glucagon) springt bij om te voorzien in energie productie →aanmaak acetyl-CoA!


Bij hoge vraag glucose: oxaalacetaat preferentieel aangewend voor gluconeogenese →te weinig oxaalacetaat om acetyl-CoA (uit lipolyse) laten condenseren tot citraat (dat naar Krebs cyclus gaat) →omvorming acetyl-CoA tot acetoacetaat
Acetoacetaat verder omgezet tot acetaat en β hydroxybutyraat via β-oxidatie
Deze ketonen zijn preferentiële energiebron voor hartspier en niercortex (hersenen kunnen zich hieraan aanpassen)
Probleem thv lever: lever (itt hart, nier, hersenen) bevat geen thioforase enzyme dat nodig is om massa ketonen kunnen gebruiken als energiebron
1. Toxische leververvetting met accumulatie onbruikbare ketonen (+ toxiciteit ketonen zorgt voor periportale leververvetting)
2. Bij extreem geval ook uitscheiding in urine met fijndruppelige vervetting tubulusepitheelcellen
2.6.4. Myoglobinurie bij het paard

Myoglobinurie komt vnl voor bij paard en “maandagziekte” genoemd
Oorzaak: overmatige opstapeling glycogeen in skeletspieren tijdens lange rustperiode (“weekend”) en bij rijkelijke voeding
Aanleiding: zware belasting spieren (“maandag”) →relatief zuurstofgebrek →anaërobe glycolyse →melkzuuropstapeling →tetanische contractie achterhandspieren →verdere vermindering bloedvoorziening →lyse spiercellen →myoglobine komt vrij en via urine uitgescheiden
2.6.5. Stapelziekten of thesaurismen van koolhydraten (lezen)
2.6.5.1. Inleiding
Bij genetisch defect of overbelasting van enzymen is omzetting stofwisselingsproducten verstoord
Elk weefsel heeft typisch enzymenpatroon →uitvalsverschijnselen naargelang functie getroffen weefsel (meest frequent: neuronen en fagocyterende cellen)

2.6.5.2. Glycogenosen
Glycogenose = glycogeenstapelziekte
Meerdere genetische enzymdefecten:
Glucose-6-fosfatase (lever, nier, dunne darm)
α-glucosidase (spieren, lever, CZS, leukocyten)
Amylo-1,6-glucosidase (spieren, lever, leukocyten)

2.6.5.3. Mucopolysaccharidosen
Mucopolysaccharidose = opstapeling mucopolysacchariden
Oorzaak stapeling = genetische enzymdefecten in opbouw of lysosomale afbraak di- en polysacchariden
Disacchariden = bouwstenen voor polysacchariden en glycosaminoglycanen (kerataansulfaat, dermataansulfaat en chondroïtinesulfaat)
Glycosaminoglycanen + eiwitten = proteoglycanen, die dus glycoproteïnen zijn→ glycoproteïnosen = opstapeling glycoproteïnen
2.6.5.4. Gangliosidosen
Gangliosiden = vetten + disacchariden
Stoornis in hun afbraak = gangliosidose
Meerdere vormen bij versch huisdieren
= lipidosen = stoornis in lysosomale vetafbraak (vide infra)
Lipidegedeelte blijft immers intralysosomaal opgestapeld
2.6.6. Hypoglycemie door insulinomen
Meestal functionele mengtumoren: insuline-producerende β-cellen, glucagon-producerende α-cellen, somatostatine-producerende δ-cellen en pancreas polypeptide producerende PP cellen
Insulineproductie is meest opvallend →insulinoma!
Vaak erg kleine, onopvallende tumoren →immunohistochemie vereist
Hypoglycemie: glucose massaal opgestapeld in lever →uitstorting glucagon, cortisol en STH via thalamusreceptoren →aanboren energiereserves
Symptomen: honger, epilepsie-aanvallen, tonisch-klonische krampen, tachycardie, nervositeit, prikkelbaarheid en tenslotte hypoglycemisch coma

2.7. Pathologie van de vetstofwisseling
2.7.1. Het normale vetmetabolisme
Functie en eigenschappen vetten:
Energie opslag en thermische isolatie (triglyceriden)
Membraancomponenten (fosfolipiden en cholesterol)
Precursoren steroïdhormonen, vit. D, galzuren (cholesterol)

Opname diëtaire vetten (vnl. triglyceriden):


Incorporatie in micellen oiv galzuren (gerecycleerd via enterohepatische kringloop), fosfolipiden en cholesterol (geproduceerd door RER hepatocyt)
Pancreaslipase splitst triglyceriden tot vrije VZ en monoglyceriden
Na opname vrije VZ, monoglyceriden (beide opnieuw veresterd tot TG’s), fosfolipiden en cholesterol in enterocyt worden chylomicronen gevormd door associatie met proteïnen
Lipiden = hydrofoob en niet in water, lymfe of bloed oplosbaar→ vorming chylomicronen
Chylomicronen komen via lymfe (= chyl) (specifiek ductus thoracicus) in bloedbaan terecht en bypassen lever
Lipoproteïnelipase endotheelcellen breekt chylomicronen en erin aanwezige triglyceriden af tot VVZ
Via bloedbaan kunnen vetten opgeslagen in vetweefsel of verbruikt in lever en hartspier

2.7.2. Stoornissen in de vetresorptie en het vettransport
2.7.2.1. Steatorrhee
= Vet in faeces door
Functiestoornis enterocyten (bv eencellige parasieten zoals Giardia)
Tekort aan enterocyten (bv villusatrofie bij rota-/coronavirussen)
(Relatief) tekort aan galzuren, lipase of co-lipase
=>Tekort aan essentiële VZ en vetoplosbare vitaminen (A, D, E, K)

2.7.2.2. Hyperlip(oproteïn)emie
= Te veel aan vetten in bloed
Hoeveelheid vetten in bloed afh
Hoeveelheid lipiden geresorbeerd uit voedsel
Synthese lipoproteïnen in lever
Lipolyse triglyceriden uit adipocyten (vetdepots)
=>Fysiologische schommelingen (verandering dieet, wijziging energiebehoefte uit vet)
Pathologisch te wijten aan
Endocriene stoornissen (bv. Cushing, DM, hyper/hypothyroïdie)
Erfelijke mutaties
Ouderdom
Onderscheid
Primaire hyperlipemie
Secundaire hyperlipemie: hongeren (en Cushing), diabetes mellitus, hypo/hyperthyroïdie, acute pancreasnecrosen pancreatitis
2.7.2.2.1. Primaire hyperlipemie
Gevolg van endogeen defect in lipoproteïnemetabolisme
Zeldzaam bij huisdieren
2.7.2.2.2. Secundaire hyperlipemie
Hongeren
Vrijstelling vrije VZ en glycerol vanuit vet depots naar bloedbaan
Lever neemt vrije VZ op en bouwt ze om tot triglyceride-eiwitcomplexen (VLDL) die in bloed vrijgesteld→ afsplitsing VVZ die in periferie verbruikt met overblijven LDL (“slechte cholesterol”)
HDL(‘goede’ cholesterol) primair in lever gevormd om via circulatie cholesterol uit weefsels ophalen waarna dit cholesterol naar lever gevoerd wordt →uitgescheiden via gal en verlaat lichaam
LDL blijft over na afgifte VVZ en bevat veel cholesterol→ afgegeven aan weefsels met risico op atherosclerose→ LDL = ‘slechte’ cholesterol
Diabetes mellitus
Deficiënte werking endotheliale lipoproteïnelipase door veralgemeende angiopathieën→ triglyceriden slecht uit bloedbaan “geklaard”→ “chylomicron remnants” nemen toe
Geen verhoogde productie VLDL in lever (want geen eiwitaanmaak)!
Stijging glucagon bij diabetes stimuleert lipolyse →leververvetting
Geen energie uit suiker = energie uit vetten halen
Hyperthyroïdie
Metabolisme verhoogt →lipolyse →veel VVZ uit vetdepots in circulatie (= hyperlipemie)
Verlaagde plasmacholesterol via verhoogde cellulaire opname en verhoogde afbraak cholesterol en LDL door activatie LDL receptor
Verhoogde gevoeligheid voor adrenaline en glucagon →toename lipolyse
Vaak bij kat
Mager, constant honger, vacht niet altijd goede verzorging, voelbare krop gezwel (hypertrofie), oudere katten, heser miauwen (drukken op stembanden)
Oorzaak niet goed weten, wel tumor
Schildklier: Ldl receptor op volle bak draaien door hoog metabolisme ->vermageren want vetdepots aanspreken→ leververvetting

Ernstige hypothyroïdie
Hyperlipemie (hyper cholesterolemie) door verhoogd plasmacholesterol wegens verlaagde opname en afbraak (cholesterol werkt in op vaatwand→ rol in atherosclerose)
Vaak bij hond
Loom en sloom
Jongere honden kunnen dit ook krijgen
Hypercholesterol, hyperlipemie: niet veel vrije vz
Acute pancreasnecrose en pancreatitis
Hond, meestal idiopathisch, maar predisponerende factoren zijn obesitas en dieet laag in eiwit en rijk aan vet, en pikante voeding
Deficiëntie in verteringsenzymen en insuline →te geringe energie-aanvoer →lipolyse om in energiebehoefte te voorzien
Lekkage verteringsenzymen →necrose abdominale vet

2.7.3. Stoornissen in de vetstofwisseling van de parenchymen
2.7.3.1. Pathogenese van vettige degeneratie
Lever = centrale orgaan in vetstofwisseling →meest gevoelig aan stoornissen in vetstofwisseling →vaak letsels
Productie triglyceriden in lever gaat sneller dan complexe en trage vorming VLDL (vorm waaronder vet terug uit hepatocyten komt) of afbraak VZ in mitochondriën voor energieproductie (beta-oxidatie)
Opslag triglyceriden in hepatocyten normaal gering →weinig vetdruppeltjes in cytoplasma
Beschadiging metabolisatiepathway →substraat (fosfolipide, vrij VZ of cholesterol) opgestapeld
Vettige degeneratie (degeneratie met vetopstapeling): overaanbod VZ niet snel genoeg kunnen verwerken = steatose
2.7.3.2. Etiologie van vettige degeneratie
2.7.3.2.1. Stoornissen in de vetstofwisseling zelf
Deze stoornissen omvatten:
Overaanbod aan circulerende VVZ (bv hyperlipemie bij pony)
Stoornis in enzymen GER die instaan voor binden vrije VZ aan glycerol met vorming triglyceriden
Stoornis in eiwitsynthese in assemblage lipoproteïnen of in hun vrijstelling

2.7.3.2.2. Stoornissen in de koolhydraatstofwisseling met secundaire effecten op de vetstofwisseling
Deze stoornissen omvatten:
Hongeren (hypoglycemie) →lipolyse
Diabetes mellitus →lipolyse
Vervetting begint rondom v. centrolobularis en deint uit naar periferie: centraal als eerste relatieve hypoxie

3.7.3.2.3. Energietekort: negatieve energiebalans
Gedurende periodes NEB (intensieve leg kip, lactatiepiek hoogproductieve melkkoe): enorme mobilisatie VZ die lever overspoelen
Bij ketose toxische leververvetting periportaal uit (toxisch!)
3.7.3.2.4. Zuurstoftekort
Cel in hypoxie, die stadium acuut intracellulair oedeem overleefd, ondergaat vettige degeneratie want:
Zuurstoftekort: inhibitie enzymen die vetzuuroxidatie katalyseren
Leidt tot verhoogde synthese en opstapeling triglyceriden
Vb1: Chronische congestieve hartinsufficiëntie→ veneuze hypertensie en stase →centrolobulaire hepatocyten ondergaan vettige degeneratie
Vb2: Acuut myocardinfarct bij mens: cellen in infarct ondergaan necrose en lyse; aan periferie vervetting

3.7.3.2.5. Intoxicaties
CCL4 (apolair solvent), ketonen en aflatoxines beschadigen ribosomen en blokkeren aldus eiwitsynthese →geen productie apoproteïnen →geen vorming lipoproteïnen
Chronisch alcoholisme: oa gestoorde exocytose VLDL


2.7.4. Stoornissen in de stofwisseling van de vetdepots
2.7.4.1. Inleiding
Vetdepots ondergaan toe- of afname hoeveelheid triglyceriden oiv:
Energie-aanvoer via voeder
Energiebehoefte
Vetdepots bevinden zich in buikholte (man), subcutis (vrouw), perirenaal en in coronaire groeven
Volume vetdepots = maatstaf voor voedingstoestand
2.7.4.2. Adipositas
= Obesitas of vetzucht: pathologische algemene toename depotvet
Dikwijls simultaan levercelvervetting: leversteatose
Grens fysiologie – pathologie moeilijk trekken wegens diersoort verschillen

Etiologie: endogene factoren of langdurige overmatige voeder opname
1. Te energierijke voeding bij te geringe lichaamsactiviteit: leptine geeft normaal signaal voor verzadiging, maar bij sommige indiv minder sterk of zou beloningscentrum minder gevoelig voor verzadigingsgevoel →drang naar meer voedselopname
2. Hypothyroïdie (bv bij jodiumtekort): oxidatieve activiteit en energiegebruik dalen
3. Cushing bij hond: overproductie glucocorticoïden →herverdeling vetdepots (lipolyse + gluconeogenese)
4. Stoornissen in hypothalamo-hypofyse as, na castratie of bij verminderde hormoonproductie bij verouderen: dystrophia adiposogenitalis (zeldzaam bij huisdieren)

2.7.4.3. Lipomatose
= Voor aanmaak vetweefsel op plaatsen waar dit normaal niet aanwezig is
Typisch bij obesitas
Gekenmerkt door:
Toename subepicardiaal vetdepot
Ontstaan strengen vetcellen tussen hartspiervezels die contractie belemmeren = lipomatosis cordis
Aanwezigheid vetcellen in dwarsgestreepte spieren, met atrofie spiervezels = interstitiële lipomatose →pseudohypertrofia lipomatosa indien massa vetcellen volumineuzer is dan oorspronkelijke spiervolume
Bij ouderdomsatrofie bep organen (bv lymfeknopen) wordt deel van weefsel vervangen door vetweefsel
Fysiologisch wordt rode beenmerg en thymus jonge dieren grotendeels vervangen door vet

2.7.4.4. Cachexie
= Pathologische graad verdwijnen triglyceriden uit vetdepots
Extreme graad van vermagering = uitmergeling waarbij zelfs vet uit beenmerg opgebruikt
Gezien bij:
Hongeren
Verteringsstoornissen
Malabsorptie
Erge parasitismen
Maligne neoplasie (door TNF-productie)
Versch ziekten
Verdwijnen triglyceriden uit vetdepots leidt tot sereuze atrofie vetweefsel: restanten vet in coronaire groeven, perirenaal en thv subcutis, maar ook witte (vette) beenmerg vertonen glazig-gelatineus aspect (vetoxidatie →H2O)
Extreme cachexie waarbij deze laatste vetdepots ook reeds verdwenen zijn = marasme

2.7.4.5. Steatonecrose
= Vetweefselnecrose; geel-witte, vaste of vervloeide haarden (cellulitis) gezien
Oorzaken:
Lokale circulatiestoornis met hypoxie (cellulitis!)
Veranderingen in vetsamenstelling
Stoornissen in vetmetabolisme
Pancreatitis!
Gevolgen:
Vrijzetting VZ, die deels verzepen met Ca en deels neerslaan als naaldvormige kristallen
Necrose induceert heftige ontsteking →bindweefselig organiseert
Rund: vnl perirenaal, in omentum en mesenterium (ook cossum)
Hond en kat: vnl rond pancreas
Vette honden met diabetes: vaak te wijten aan pancreatitis of lokale obstructie pancreasafvoergangen
Traumatische pancreasrupturen →verspreide haarden vetweefselnecrose in buikholte, omentum en mesenterium

Bij necrose vetrijke cellen worden vrijgekomen vetten gefagocyteerd door lipofagen =
1) granulocyten
2) macrofagen (oa. Kuppfersestercellen)
3) vreemd voorwerp reuzecellen
Bij hyperlipoproteïnemie: met vet beladen reticulumcellen (afgeleide van macrofagen) in milt
Rondom malaciehaarden in CZS wordt vet van vervallen myelinescheden opgenomen door microgliacellen of infiltrerende macrofagen

2.7.4.6. Xanthomen
= Gele huidknobbels die ontstaan door opstapeling cholesterolesters in macrofagen dermis
Bij gegeneraliseerd voorkomen spreekt men van xanthomatose
Cholesterol slaat neer als:
Kogelvormige vetdruppeltjes →schuimcellen (door uitlogen)
Naaldvormige kristallen (zijn dubbelbrekend op cryocoupes)
Typische grote xanthomen in onderhuid vogels
Soms in huid en longen paard, hond, kat en konijn
Kat: post-traumatische “lipid keratopathy”
Paard: cholesterolrijke tumorachtige woekeringen van plexus choroideus = plexus cholesteatoma
Pseudoxanthomatotische veranderingen: wanneer cholesterolrijke cellen gefagocyteerd (bloeduitstortingen, necrosehaarden in maligne tumoren, atheroclerotische plaques)

Cholesterolopstapeling in macrofagen l. propria darm: cellen opgeblazen, schuimig uitzicht = schuimcellen

2.7.5. Vetstapelziekten
Erfelijke defecten in enzymen die vetten normaal intracellulair (lysosomaal) afbreken →systemische stapelziekte of lipidose
Meestal autosomaal recessief (kans op ziekte = ¼)
Meestal aangeboren defecten →reeds symptomen op jonge leeftijd
Familiale ziekten en bij mens dikwijls voorkomend in gesloten geloofsgemeenschappen (mormonen, joden)
Opstapeling niet-afbreekbaar substraat in lysosomen
Meestal defect in enzymen sfingolipidenstofwisseling (myelinescheden!) en cholesterolstofwisseling →gevoeligste cellen zijn:
Neuronen
Microgliacellen
Lokaal infiltrerende macrofagen in CZS
2.8. Pathologie van de eiwitstofwisseling
2.8.1. Eiwittekort
Algemeen eiwittekort komt voor bij:
Onvoldoende alimentair eiwitaanbod (hongeren, slechte voederkwaliteit)
Uitmergeling waarbij energie gehaald uit gluconeogenese vanuit eiwit
Maldigestie (enzymedefecten bij bv pancreatitis, pancreasresectie na tumor →exogene toediening spijsverteringsenzymen vereist)
Malabsorptie / eiwitverlies langs darm (protein losing enteropathy PLE) (bv. bij villusatrofie bij rota-/coronavirussen of Giardia)
Proteïnurie (eiwitverlies langs urine bij nierinsufficiëntie – protein losing nephropathy- PLN)
Stoornissen in eiwitsynthese in lever (bv. hepatitis of levercoccidiose)
Gevolgen:
Tekort aan essentiële AZ
Verminderde weerstand tegen infectie (granulocytopenie, lymfocytopenie, Ig tekort)
Vertraagde regeneratie
Vertraagde bloedstolling (thrombocytopenie, tekort aan stollingsfactoren)
Verminderde kliersecreties (vb exocriene pancreasinsufficiëntie)
Atrofie organen (spieren, lever)
Hypoproteïnemie (oedeem)
Stoornissen in hormoon- en enzymsynthese (want bestaan uit AZ)
Stoornissen in ontgiftingsfuncties (leverenzymen!)
Stoornissen in uitscheidingsfunctie

2.8.2. Pathoproteïnemieën
2.8.2.1. Pathoproteïnemie = Stoornis in eiwitsamenstelling bloedplasma
2.8.2.2. Dysproteïnemie
= Pathologische verandering in verhoudingen versch fracties plasmaeiwitten
Chronische ontsteking: relatieve stijging γ-globulinefractie
Verworven stoornissen in synthese plasmaeiwitten
Ernstige leveraandoeningen: hypoalbuminemie of hypofibrinogenemie
2.8.2.3. Defectpathoproteïnemie
= Erfelijk ontbreken bep plasma-eiwitfracties:
Agammaglobulinemie: afwezigheid Ig’s ->deficit in humorale immuniteit
Bv: geen colostrum binnen nemen
Analbuminemie: afwezigheid albumine →invloed op GM transport en osmotische drukverdeling
Afibrinogenemie: afwezigheid fibrinogeen →neg invloed op bloedstolling en wondheling
Alipoproteïnemie: afwezigheid lipoproteïnes →invloed op vetmetabolisme
2.8.2.4. Paraproteïnemie
Bij tumorale woekering plasmacellen (meestal hond):
Multiple myeloma
Plasmacel leucose
Plasmacytoma: monoclonale immunoglobulinopathie want plasmacellen ontstaan uit één clone →doorsijpeling Ig’s in urine→ paraproteïnurie of Bence-Jones eiwitten (= Ig’s) in urine→ opstapeling in niertubuli = eiwitcylinders in lumen niertubuli = paraproteïnemische nefrose
2.8.3. Intracellulaire eiwitstapelingen
Morfologisch waarneembare intracellulaire eiwitafzettingen = intra cellulair hyalien = vorm van hyaliene degeneratie
Vb1: Hyaliendruppeltjes in tubulusepitheelcellen door resorptie eiwitten uit glomerulusfiltraat bij:
Glomerulaire permeabiliteitsstoornissen
Toename filtreerbare eiwit- of polypeptidefracties in bloed waarbij opgestapeld en afgebroken in heterofagolysosomen
Vb2: Hyaliendruppeltjes in cytoplasma plasmacellen = Russell lichaampjes (= Ig opstapelingen in RER)

Zodanig veel antistoffen geproduceerd (overdrive) ->niet snel genoeg verpakt in golgi apparaat ->gaan zichtbaar aanwezig zijn (pijltjes)
Vb3: Kogelvormige hyaliendruppeltjes in cytoplasma hepatocyten bij:
Chronische inwerking toxines
Tekort aan essentiële voedingsstoffen = Mallory lichaampjes (beschadigde intermediaire filamenten die sterk eosinofiel kleuren), bij chronisch alcoholisme, toxische leveraandoeningen en carentieziekten

Vb4: Vergiftigingen met zware metalen
Vb5: Hyaliene of Zenkerse degeneratie skeletspiervezels
Begint meestal met zuurstoftekort →anaërobe glycolyse-> opstapeling melkzuur ->depolarisatie sarcolemma→ instromen Ca →tetanische contractie
Intracellulaire segmentale necrose van sarcomeren: eiwitten in sarcoplasma slaan amorf neer, myofibrillen vervallen, membraansystemen zwellen op→ ontstaan holtes en kloven met fragmentatie necrotisch materiaal = hyalien-schollige degeneratie
Aangetaste spiervezels zien er macroscopisch bleker uit, maar kleuren histologisch eosinofieler aan
Vb6: White muscle disease
Diëtische myopathie bij jonge herkauwers te wijten aan vit. E of Se tekort of verhoogde behoefte hieraan door hoge gehaltes aan PUFA’s in voeder →peroxideradicalen beschadigen membranen
Vit. E normaal bestanddeel celmembraan dat ter plaatse dubbele bindingen beschermt tegen peroxidatie (vangt vrije radicalen weg)
Selenium = cofactor glutathionperoxidase
2.9. Pigmentstofwisselingsstoornissen
2.9.1. Inleiding
Pigmentatie = afzetting van pigmenten in weefsels en cellen
Exogeen: van buitenaf
Endogeen: producten eigen stofwisseling
Pigmentafzetting: fysiologisch of pathologisch (vb. albinisme)
Veel variatie in normale pigmentatie weefsels
Genetische verschillen, rasverschillen en raskenmerken
2.9.2. Exogene pigmenten
2.9.2.1. Tatoeages
In dermis inerte kleurstofpartikels vastgezet op collageenbundels
Overschot opgenomen door macrofagen en gedraineerd
Bv: oornummer, identificatie’tag’ op staart rat, zwemvliezen eend, …

2.9.2.2. Pneumokoniosen
Pneumokoniose = stoflong: binnentreden fijn stof in long via luchtwegen tot in alveolen
Zwartverkleuring longparenchym door inademing koolstofpartikels = pulmonale antracose
Partikels zichtbaar onder pleura als zwarte puntjes
Macrofagen in alveolen nemen op in fagolysosomen
Via lymfebanen drainage naar regionale lymfeknopen (zwartverkleuring bronchale en mediastinale lnn.)
Inerte koolstofpartikels veroorzaken geen ontstekingsreactie
Inademen silicaathoudend stof (longsilicose) doet macrofagen afsterven →haardvormige, productieve ontsteking = granuloom
Inademen asbestvezels veroorzaakt niet enkel pneumokoniose, maar ook mesotheliomen (tumoren pleura)

2.9.2.3. Zware metalen
Lood: bij chronische vergiftiging (loodhoudende verf en benzine, industrie, jacht) rand van tandvlees zwart verkleurd = loodzoom
Idem darmvilli
Inwerking H2S (van bacteriën) op circulerende loodzouten→ loodsulfide
Bismut- en kwikzouten: analoge letsels
Ijzer: bij traumatische reticuloperitonitis bij rund (‘het scherp’) rond steekopening in netmaag zwarte verkleuring door ijzersulfideneerslag (via H2S)
Vermeden door opschieten kooimagneten in pens die metalen capteren
Zilver: zilvernitraatspray bij keizersnede
Bij langdurig gebruik endotheelcellen en basale membranen huidklieren met zilver beladen waardoor grauwe verkleuring huid ontstaat
Chroom: grijsverkleuring litteken op uterus door gebruik gechromeerde catgut hechtdraad

2.9.2.4. Pigmenten van alimentaire oorsprong
Vnl lipochromen uit planten, nl carotenoïden waartoe caroteen en xantofyl behoren, geven pigmentatie van weefsels
Opstapeling in triglyceriden depotvet →geelverkleuring
Gele dooier en depotvet bij maïskip (veel carotenoïden aanwezig in maïs)
Idem bij herbivore zoogdieren (carotenosis)
Geelrood vederkleed door opstapeling vit. A vogels, bv. roze kleur flamingo’s
2.9.2.5. Farmaca
Belangrijkste farmaca die pigmentatie weefsels veroorzaken zijn tetracycline-AB
Bij groeiende dieren worden chelaten opgestapeld in beenderen en dentine
Geeft geelverkleuring en autofluorescentie

2.9.3. Endogene pigmenten
2.9.3.1. Anhaemoglobinogene pigmenten
2.9.3.1.1. Lipofuscine en ceroïd
Ceroïd en lipofuscine = intracellulaire stapelproducten
Ontstaan door binding van amines op sec aldehyden die gevormd worden door inwerking vrije zuurstofradicalen op vetten →complexe reactieproducten opgestapeld in lysosomen = lipidose
Lichtgele-beige kleur op HE-coupes
Kleuren aan met lipofiele kleurstoffen bv Oil-red-O
Lipofuscine = typisch ouderdomspigment opgestapeld in postmitotische cellen = ± fysiologisch; echter ook bij atrofie
Ceroïd opstapeling is pathologisch (er is een onderliggende ziekte)
Lipofuscine


= Fijndruppelig, lipochroom, geel-bruin tot roestig intracellulair pigment
Overbodige, versleten of beschadigde celcomponenten (vnl membranen) worden in autofagosomen deels afgebroken en opgestapeld als residuele lichaampjes = mengeling VZ en glycoproteïnes
Neemt toe met verouderen (vnl hartspiercellen en neuronen)
Aanwezig in lever- en niercellen na reversibele celbeschadiging (organellen!)
Veel bij cachexie en seniele atrofie →bruine atrofie of atrophia fusca (= wear and tear pigment)
Ceroïd
= Geel-bruin intracellulair pigment
Ontstaat pathologisch door oxidatie PUFA’s en binding eiwitten en glycoproteïnen →onafbreekbare lipidecomplexen
1. bij ontstekingsprocessen en necrose→ vervallen vetten gefagocyteerd door macrofagen (heterofagosomen)
2. bij opname zeer grote hoeveelheden PUFA’s (vis!) en relatief tekort aan vit E en Se
‘yellow fat disease’: opstapeling ceroïd tegen plasmamembraan en in gehele cytoplasma van adipocyten en fibroblasten→ necrose →ceroïd vrij →vreemd voorwerp reactie →fagocytose macrofagen
‘brown dog gut’ of ‘brown bowel disease’ of leiomyometaplasie: gladde spiercellen darmwand kleuren bruin, ook bij chronische enteritis en pancreatitis
fuscinenefrose bij rund: bruin niermerg (zeer zeldzaam)
3. erfelijke vormen van ceroïdopstapeling: ceroïd-lipofuscinose
stapeling in neuronen: blindheid, myocloniën, epileptiforme aanvallen, ataxie, slechtere houdingsreflexen
2.9.3.1.2. Melanine

=Zwart-bruin pigment, gevormd uit tyrosine (via tyrosinase) in melanocyten
Melanofagen in dermis fagocyteren gelekte melanine (= pathologisch)
Normale pigmentatie: huid, haar, veren, mondmucosa, iris, choroidea, retina, neuronen en neurogliacellen van substantia nigra
1. Te veel melanine
Haardvormige hyperpigmentatie van huid = ophoping melanocyten in huid (melanoderma indien grote haarden)
Congenitaal: moedervlek = naevus pigmentosus (foetaal migratiefoutje)
Verworven: chronische mechanische irritatie (vb krabben bij allergie), hyperadrenocorticisme (Cushing) bij hond, UV-straling →proliferatie melanocyten (melanoderma)
Acanthosis nigricans = donker gekleurde hyperplasie van stekelcellenlaag (str. spinosum- acanthocyten)

Oorzaak meestal onbekend - lokalisatie aan binnenzijde oksel en lies
Lokale verdikking (lichenificatie: vergroving huidreliëf met kloofjes) en hyperpigmentatie van stratum spinosum
Melanosis: elke aanwezigheid van pigment op plaats waar er normaal geen is

Melanosis maculosa: zeldzame aandoening bij kalf, lam en big waarbij scherp afgegrensde, vaak polygonale zwartgekleurde gebieden voorkomen in longen, lever en pia mater
2. Te weinig melanine
Depigmentatie: ontkleuring huid en haren
Fysiologisch bij sneeuwhaas en schimmelpaard
Bij verouderen wordt men grijs (onvoldoende melaninesynthese = seniele achromotrichie) + ontstaan luchtkamers in haren
Vitiligo: verworven, vlekvormige depigmentatie huid, te wijten aan destructie melanocyten (auto-immuun, toxiciteit melanineprecursoren), die kan uitbreiden

Primaire, idiopatische vorm is zeldzaam bij rund, paard en hond (Groenendaler, Tervuurse herder)
Leukopathie of leukoderma: sec vlekvormige depigmentaties huid, oorzaak typisch plaatselijke drukbeschadiging met stoornis melanocyten (vb druk op schoft door zadel)
Leukotrichie: enkel depigmentatie haren, bij heling wondjes ontstaan soms witte haren
Kopertekort: koper is cofactor van tyrosinase →tekort: geen vorming melanine
Chediak-Higashi syndroom = autosomaal recessief membraandefect dat transport (Golgi!) van melanosomen verhindert →reuzemelanosomen geven dilutie-effect tot zelfs albinisme
Albinisme: erfelijk defect in tyrosinase enzymsysteem
Oogklachten (oculair albinisme), wanneer + pigmentatieproblematiek = oculocutaan albinisme
Verminderde gezichtsscherpte, onderontwikkelde gele vlek, nystagmus, strabismus, fotofobie
Leucisme: Strabismus divergens, vermindering van alle types huidpigment, dus niet enkel melanine, nooit rode ogen en nooit fotofobie, hoeft niet veralgemeend te zijn, vaak verward met albinisme
2.9.3.2. Haemoglobinogene pigmenten
2.9.3.2.1. Inleiding
Haemoglobinogene pigmenten = pigmenten afkomstig van haemoglobine
Porphine + Fe2+ →haem-kern
Haem-kern + eiwit →haemoglobine en myoglobine

2.9.3.2.2. Haemoglobine
Haemoglobinogene pigmenten ontstaan wanneer haemoglobine vrijkomt uit RBC bij beschadiging of opruiming versleten RBC’s →fagocytose door macrofagen in lever en milt →intracellulaire haemoglobine-afbraak
Erge beschadiging RBC’s →RBC’s vervallen in bloedbaan →haemoglobine komt vrij = haemolyse →haemoglobine in bloed = haemoglobinaemie; indien ernstig ook in urine = haemoglobinurie
Indien erythropoëse stijgt, en hematocriet blijft constant: hyperhaemolyse
Indien onvoldoende erythropoëse →haemolytische anemie
Regeneratieve anemie: indien er activatie is van beenmerg om anemie oplossen (reticulocyten <--> niet-regeneratieve anemie)
Haemoglobinurie ≠ haematurie: bloed in urine bv. bij haemorrhagische cystitis
Haemagglutinatie: RBC’s vormen intravasculaire aggregaten bij sommige septicemieën (oa. leptospirose) en auto-immuunziekten →acuut levensbedreigend
Na dood: haemoglobine komt snel vrij uit RBC’s→ sijpelt in omgevende weefsels = postmortale bloedimbibitie
Door vermenigvuldiging bacteriën na dood wordt H2S gevormd →sulfhaemoglobine → postmortale pseudomelanose

2.9.3.2.3. Myoglobine
Spiercelbeschadiging (vnl uitgebreide spierkneuzingen) = rhabdomyolyse: myoglobine vrij in interstitium en bloedbaan = myoglobinaemie
Ook uitscheiding via nieren →donkerrode tot zwarte urine = myoglobinurie
Maandagziekte (vide supra): erge myoglobinurie
Trager verlopende spierbeschadiging (vb white muscle disease): geen myoglobinurie

2.9.3.2.4. Galpigment: bilirubine (icterus – geelzucht)
Aanmaak galpigmenten: 2/3 in Kuppferse stercellen lever + hepato’s en 1/3 in macrofagen milt en beenmerg
Ontstaat door afbraak haemgroep versleten RBC’s tot biliverdine en verder tot bilirubine →afgifte aan bloedbaan met binding aan albumine (indirecte of prehepatische bilirubine)
Na afsplitsen albumine: opname in hepatocyt →conjugatie met glucuronzuur in GER →oplosbaarheid stijgt (directe of posthepatische bilirubine): renale excretie !
Hyperbilirubinaemie →diapedese bilirubine uit bloedvaten en geelverkleuring weefsels = icterus of geelzucht
Meest gevoelig: elastine grote arteriën en longen
Daarna: dens collageen bw (sclera en subcutis) en kb
Dan ook: vetweefsel en niermerg
Bij bilirubinurie: tubulusepitheelcellen nieren nemen pigment op →single cell necrosis + galcilinders in tubuli = cholemische nefrose
1. Prehepatische of haemolytische icterus

haemolyse ->haemoglobinaemie →haemoglobinurie
Massa prehepatische of ongeconjugeerde bilirubine (gevormd door macrofagen) kan niet snel genoeg opgenomen en geconjugeerd door hepatocyten →onvoldoende nierexcretie →hyperbilirubinaemie
Lever maakt wel volop geconjugeerd bilirubine (want groot aanbod haemoglobine): toch niet altijd bilirubinurie
Toegenomen uitscheiding geconjugeerd bilirubine in darm
Slechts geringe leverdegeneratie (doordat hepato’s in overdrive gaan)


Icterus neonatorum: door verhoogde afbraak haemoglobine na geboorte en onvoldoende uitrijping glucuronyl transferase dat bilirubine conjugeert
2. Hepatocellulaire icterus

Meest voorkomend
Ernstige beschadiging groot deel hepatocyten →geen glucuronidatie
Bij overleven acute fase leverdestructie: na 1w geelzucht
Verstoring leverstructuur door leverschade →galstase →overflow ongeconjugeerd bilirubine via ruimte van Disse en lymfevaten naar bloedbaan →hyperbilirubinaemie
Verminderde uitscheiding in gal →gal meer waterig en faeces bleker
Geen haemoglobinurie (want geen haemolyse), noch bilirubinurie want geen conjugatie
3. Posthepatische of obstructie icterus

Obstructie galafvoerwegen →galstase →galgangen zetten uit en permeabel→ geconjugeerd bilirubine komt in ruimte van Disse terecht en in bloed→ hyperbilirubinaemie en bilirubinurie
Indien obstructie thv ductus choledocus: galblaas ook uitgezet
Faeces bleek en vetrijk = steatorrhee; galzouten bereiken door obstructie darm immers niet
Slechts beperkte degeneratie hepatocyten →glucuronidatie ok
2.9.3.2.5. Porphyrine
Zeldzaam erfelijk defect uroporphyrinogeen III synthase bij rund, varken, kat en aap
Vorming uroporphyrinogeen III als voorloper haemoglobine verhinderd, zodat uroporphirinogeen I gevormd wordt dat als uroporphirine in urine en coproporphirine in mest uitgescheiden wordt
Opstapeling in botweefsel en tanden →geelverkleuring en autofluorescentie •
Simultaan hyperhaemolyse en bij rund ook fotosensibilisatie
2.9.3.2.6. Haemosiderine
Intracellulaire ijzerreserve (macrofagen lever, milt,beenmerg) normaal gebonden aan eiwit apoferritine als ferritine (want puur Fe toxisch)→ gemakkelijk mobiliseerbaar
Onoplosbare intracellulaire vorm ijzer = siderine in siderosomen macrofagen
Stapelvorm ijzer afkomstig overmatige afbraak haemoglobine uit RBC’s = haemo siderine (in macrofagen lever, milt en beenmerg = siderocyten– siderofagen)
Haemosiderose = wanneer op versch plaatsen/weefselparenchymen voorkomt door overmatige afbraak haemoglobine (o.a. hemolyse)→ opstapeling in macrofagen, maar ook in hepatocyten wanneer macro’s in lever overladen geraken
≠ Haemochromatose = overmatige opstapeling ijzer in lever (initieel in macrofagen, later ook in hepatocyten) bij overdreven aanvoer ijzer in combinatie met ontbreken rem op resorptie: fruitetende vogels in gevangenschap met dieet te rijk aan ijzer
Haemoglobinurie: ook haemosiderine in tubulusepitheel

