Ak samenvatting 2h

Antwoorden §1    De vorming van de Alpen

 

Het ontstaan van de Alpen

Op de plek waar nu de Alpen liggen, lag 100 miljoen jaar geleden een enorme tropische zee. Lagen van resten van dode planten en dieren in deze zee veranderden in sedimentgesteenten.

● Door endogene krachten zijn breuken in de aardkorst ontstaan. De schollen of platen die hierdoor zijn ontstaan, bewegen. Ze kunnen uit elkaar bewegen, langs elkaar glijden en op elkaar botsen. Bij het botsen ontstaan gebergten.

● Ongeveer 80 miljoen jaar geleden begon de plaat waarop Afrika ligt, naar het noorden te bewegen. De sedimentgesteenten van de tropische zeebodem plooiden en braken. Zo’n 30 miljoen jaar geleden werden ze tegen Europa aan geduwd. Afrika schoof over de lagen heen. Hierbij ontstonden de Alpen. De Alpen zijn een voorbeeld van een plooiingsgebergte.

De Alpen zijn een hooggebergte.

 

Verwering

De Alpen zijn een jong gebergte. Jonge gebergten zijn hoog en hebben steile hellingen, spitse bergtoppen en diepe dalen. Jonge gebergten worden afgebroken door exogene krachten. Door verwering valt het gesteente uiteen. Het puin dat bij verwering ontstaat, heet verweringsmateriaal.

● Kenmerk voor verwering is dat het afgebroken gesteente blijft liggen.

 

Erosie

Het verweringsmateriaal wordt verder vervoerd door gletsjers, rivieren, de zee of de wind. Tijdens dit transport vindt erosie, verdere afbraak van het landschap, plaats.

● Als het meegevoerde materiaal ergens wordt neergelegd, is er sprake van sedimentatie.

 


 

Antwoorden §2    Rivieren van ijs

 

Het ontstaan van gletsjers

Duizenden jaren geleden waren de Alpen bedekt met enorme gletsjers. Door de lagere temperatuur was er sprake van een ijstijd of glaciaal.

● In een ijstijd valt veel neerslag in de vorm van sneeuw. Op de lagergelegen delen in de bergen heeft de firn zich opgehoopt in een firnbekken. Dit is het begin van een gletsjer.

● De bovenkant van een gletsjer ziet er grauw uit. Dit komt door het stof en het puin afkomstig van de bergwanden. Daar treedt mechanische verwering op. Zo ontstaan zijmorenen en grondmorenen. Dit gletsjerpuin ligt onder het ijs. Aan het eind van de gletsjer liggen de eindmorenen.

 

Het einde van een gletsjer

Op weg naar het dal schuift de gletsjer het puin voor zich uit en treedt er erosie op. Zo ontstaat uit een door een rivier gevormd V-dal een U-dal met steile wanden en een vlakke bodem.

● Laag in het dal zorgt het smeltwater onder in de gletsjer voor een gletsjertunnel. Bij de gletsjerpoort komt het smeltwater naar buiten en vormt dan een gletsjerrivier.

 

Na de ijstijd

Na de laatste ijstijd is de temperatuur gaan stijgen en zijn veel gletsjers gesmolten.

● Sporen in het landschap daarvan zijn eindmorenen die laten zien tot hoever de gletsjertongen vroeger kwamen. Het smeltwater kwam terecht in de vele meren.

● Door klimaatverandering smelten de gletsjers nu versneld af.

 

De bovenloop van de Rijn

De Rijn ontspringt hoog in de Zwitserse Alpen en krijgt zijn water van de smeltende gletsjers. Onderweg wordt het smeltwater aangevuld met neerslag. De Rijn is daardoor een gemengde rivier.

● In de bovenloop is de stroomsnelheid groot. Hier vindt vooral erosie plaats. Er ontstaat een V-dal, diep en met steile wanden.

● Bij Schaffhausen is een waterval ontstaan door het wegschuren van zachte gesteentelagen. Over de rand van hard gesteente stort het water naar beneden.

 


 

Antwoorden §3    Het stroomgebied van de Rijn

 

De Boven-Rijnse Laagvlakte

Vanaf Basel stroomt de Rijn door een slenk, de Boven-Rijnse Laagvlakte. Aan weerszijden van deze slenk liggen hogere delen, horsten, zoals het Zwarte Woud en de Vogezen.

● In dit brede rivierdal is de stroomsnelheid gering en maakt de rivier ruimte bochten. Dit heten meanders.

● In de buitenbocht stroomt de rivier sneller en vindt erosie plaats. In de binnenbocht is de snelheid veel lager en wordt materiaal afgezet. Na lange tijd wordt de ruimte tussen twee buitenbochten afgesneden: een hoefijzermeer.

● In de Boven-Rijnse Laagvlakte is de stroomsnelheid zo gering dat de sedimenten bezinken.

 

De Midden-Rijn

Tussen Bingen en Bonn baant de rivier zich een weg door gebergten. De rivier buigt regelmatig af en heeft een smal en diep dal.

● In de middeleeuwen was de Rijn een belangrijke handelsroute tussen Noord- en Zuid-Europa. Dat kun je zien aan het grote aantal kastelen langs de rivier.

Dit smalle dal wordt ook wel de ‘romantische’ Rijn genoemd.

 

De benedenloop van de Rijn

Dit deel heeft weinig hoogteverschillen, de rivier meandert en bereikt uiteindelijk via veel vertakkingen de Noordzee.

● Bij de monding is het verhang (het hoogteverschil per kilometer) erg klein, en is er veel sedimentatie. Na verstopping van de rivierbedding ontstonden er nieuwe uitgangen naar zee: een delta.

● De delta in Nederland – gevormd door de Rijn, de Maas en de Schelde – is vlak en vruchtbaar en daardoor dichtbevolkt. Wel is er een grote kans op overstromingen.

 


 

Antwoorden §4    Kustvormen

 

Golven

Kusten worden afgebroken en opgebouwd door de werking van de golven. Deze worden veroorzaakt door de wind. Drie factoren spelen een rol.

● Hoe sterker de wind, des te hoger de golf.

● Hoe langer de wind waait, des te hoger en krachtiger de golf.

● Hoe groter de afstand die de golf heeft afgelegd, des te hoger en krachtiger de golf.

 

De zee breekt af

Het breken van de golven in ondiep water heet branding. De oorzaak is het afremmen aan de onderkant en het over de kop slaan van de bovenkant.

● Een sterke terugstroom neemt zand mee: afbraak. Dat gebeurt bijvoorbeeld aan de kusten van Ierland, Frankrijk en Groot-Brittannië.

● Een bekend voorbeeld van zo’n afbraakkust is de klifkust. Het harde gesteente van een klifkust heeft meer weerstand tegen erosie dan het zachte gesteente. Door de kracht van de golven ontstaan er gaten en grotten. Na verloop van tijd stort gesteente naar beneden en wijkt de kust terug. De golven beginnen dan opnieuw met hun uitschurende werking. Als dit een paar keer is gebeurd, vormt het vallende puin een groot keienstrand.

 

De zee bouwt op

Bij vlakke, schuine kusten stroomt het water het land op. Een zwakke terugstroom laat zand achter op de zeebodem. Dan is er sprake van een aanslibbingskust.

● In Nederland ontstaan zandbanken die bij eb droogvallen (= strandwallen). De wind verplaatst het droge zand en legt het achter planten of voorwerpen. Zo ontstaan kustduinen.