Untitled Flashcards Set

Staatsrecht

Schriftelijk examen

Actualiteit bekijken

Hoofdstuk 1. Het beginsel van de scheiding der machten

1.    Het  beginsel van de scheiding der machten

1.     Het begrip “scheiding der machten”

·       Montesquieu à Frans, bedenker scheiding der machten

·       Houdt in dat de machten verdeeld moeten worden over verschillende instanties

è Wanneer de machten door 1 enkele instantie uitgevoerd zouden worden, zou dat de deur openzetten voor misbruik door machthebbers.

è Zo kan je voorkomend dat een staat een totalitair regime wordt

·       De Belgische grondwet bevat geen expliciet rechtsartikel waarin de scheiding der machten wordt vastgelegd.

·       Het kan worden afgeleid uit de artikelen 36, 37 en 40

è Hebben betrekking op de federale instellingen, maar ook op het niveau van de deelgebieden worden de wetgevende en de uitvoerende macht door afzonderlijke instellingen uitgevoerd

·       Opdeling:

o   Wetgevende macht à uitgeoefend door het Parlement. Bestaat  uit: Kamer van de volksvertegenwoordiging, Senaat, Koning (Art. 36 GW.)

o   Bevoegdheden:

§  Wetten maken

§  De UM controleren

§ 

o   Uitvoerende macht à berust bij de Koning, aangezien de Koning persoonlijk onverantwoordelijk is, wordt die bijgestaan door de federale regering: ministers en staatssecretarissen (Art. 37 Gw.)

o   Bevoegdheid:

§  Wetten uitvoeren

§  Algemeen beleid van het land

§ 

o   Rechterlijke macht à hoven en rechtbanken (Art. 40 Gw.)

§  Geschillen beslechten tussen burgers onderling, maar ook tussen de burgers en de overheid

§ 

è Op niveau van de gemeenschappen en gewesten: enkel WM en UM, want de rechtbanken werken over het hele land op dezelfde manier

è Doel = willekeur voorkomen

2.     Een samenwerking der machten

·       Wordt door Hof van Cassatie gezien is ‘algemeen rechtsbeginsel’

·       Geen strikte scheiding

·       Op bepaalde vlakken een “samenwerking van de machten”

o   WM maakt wetten, die door de UM moeten worden uitgevoerd

o   De WM controleert de UM (interpellatierecht)

o   Een rechter moet desgevallend een besluit van de UM buiten toepassing laten (Art. 159 Gw.)

o  

è De onderlinge verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht kenmerkt zich vervolgens door het feit dat er controle mogelijk is.

è De wetgevende macht controleert de federale regering en kan die desgevallend tot ontslag dwingen

è Het Grondwettelijk Hof kan als er een procedure toe gestart wordt ook controleren of wettekst wel of niet strijdig is met de grondwet

2.    België is een democratische rechtsstaat

1.     Het begrip ‘democratie’

·       Art. 33 Gw.: “Alle machten gaan uit van de Natie”

è Bepaalt uitdrukkelijk dat het volk alle macht heeft

·       Een representatieve democratie

o   Het volk kiest vertegenwoordigers die ons gaan representeren in het parlement (Kamer van Volksvertegenwoordiger)

o   Het parlement vertegenwoordigt de hele natie (Art. 42 GW)

·       Een parlementaire democratie

o   Enkel het parlement is samengesteld op basis van verkiezingen (en heeft dus democratische legitimiteit)

o   Niet: de regering, het staatshoofd

o   Beslissingen in het parlement worden bij meerderheid genomen

2.     Het begrip ‘rechtsstaat’

·       De overheidsinstanties (parlement, regering, …) moeten de rechtsregels respecteren

è Is eigen aan een rechtsstaat

·       De overheid moet de fundamentele rechten en vrijheden van de mens respecteren

·       Indien inbreuk op rechtsregels, rechten, vrijheden (door een burger/overheid): rechtsbescherming door een onafhankelijke rechtbank

 

 

3.    België is een monarchie

1.     Een koning als staatshoofd

·       Nationaal Congres kiest 1831 voor de monarchie als staatsvorm

·       Erfopvolging : eerste geboorterecht (Art. 85 Gw.)

·       Sinds 1991: ook vrouwelijke nakomelingen à Salische wet

 

2.     De koning heeft enkel toegewezen bevoegdheden

·       Art. 105 Gw.: “De koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd hem uitdrukkelijk toekennen”

·       Voorbeelden van toegewezen bevoegdheden:

o   Bekrachtiging van wetten (Art. 109 Gw.)

o   Het genaderecht (Art. 110 Gw.)

3.     De koning is onschendbaar en onverantwoordelijk

·       De Koning geniet van 2 immuniteiten

·       Onschendbaarheid:

o   De koning kan niet voor een rechtscollege gedagvaard worden (burgerrechtelijk, strafrechtelijk, kan niet worden aangehouden voor de misdrijven die die pleegt) (Art. 88 Gw.)

·       (Politieke) Onverantwoordelijkheid:

o   De koning is onbekwaam om alleen te handelen (minister moet mee ondertekenen) (Art 106 Gw.)

o   De regering draagt de verantwoordelijkheid en kan ter verantwoording worden geroepen. De Koning kan politiek niet verantwoordelijk worden gesteld.

è De koning kan niet voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers geroepen worden ter verantwoording of uit zijn ambt worden ontzet

4.     Toch is de rol van de koning niet enkel symbolisch

·       Wel een symbolische rol

·       Maar ook:

o   De Koning ontvangt wekelijks de eerste minister

o   De Koning verleent audiënties aan de andere ministers

o   De Koning heeft adviserend en luisterende rol bij regeringscrisis en regeringsvorming

·       “Colloque singulier” à alle gesprekken tussen de koning en zijn ministers hebben geheimhoudingsplicht

 

4.    België is een federale staat

1.     Van een eenheidsstaat naar een federale staat

 

2.     De indeling van België in vier taalgebieden

1.      De vier taalgebieden

·       3 eentalige gebieden

o   Nederlands taalgebied

o   Frans taalgebied

o   Duits taalgebied (Art. 5 Taalwet Bestuurszaken somt de Duitstalige gemeenten op)

·       1 tweetalig gebied:

o   Brussel-Hoofdstad (Art. 6 Taalwet Bestuurszaken)

 

2.      De vier taalgebieden als hoeksteen van de federale staatsstructuur

è Faciliteitengemeenten, gemeente van Vlaams gewest maar liggen dicht bij Brussel = randgemeenten. De Franstaligen krijgen hier extra ondersteuning en kunnen documenten in het Frans aanvragen

1)      Het territorialiteitsbeginsel

·       De bestuurstaal wordt bepaald door het grondgebied (het taalgebied) waarin het bestuur gevestigd is.

·       Nuancering: faciliteitengemeenten (voor wat betreft het contact tussen de overheid en de burger!)

·       Situatie in de eentalige gebieden

o   Communicatie tussen overheid en burger verloopt in de taal van het taalgebied:

§  NL taalgebied à bestuurstaal is het NL

§  FR taalgebied à bestuurstaal is het FR

§  DTS taalgebied à bestuurstaal is het DTS

·       Situatie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

o   Het NL en het FR staan op gelijke voet

o   Berichten, mededelingen, … worden zowel in het NL als in het FR opgesteld

o   Communicatie tussen overheid en burger verloopt in het NL of in het FR, al naargelang de burger aangeeft.

o   In faciliteitengemeenten kunnen de documenten die betrekking hebben op een persoon kosteloos vertaald worden na aanvraag

è Moet nog altijd geleverd worden in taal van taalgebied

2)      Afbakening van de territoriale bevoegdheden van de deelgebieden

 

Hoofdstuk 2. De hiërarchie van de rechtsnormen

1.    Veelheid van regels

1.     Nationale rechtsregels

·       Federale wetgeving

·       Decreten en ordonnanties van de gemeenschappen en gewesten

·       Uitvoeringsbesluiten, zoals koninklijke besluiten

·       Provinciale reglementen

·       Gemeentelijke reglementen

 

2.     Internationale en supranationale regels

·       Internationale verdragen

o   Tussen verschillende staten

o   Van internationale organisaties, zoals de VN en de Raad van Europa

·       Supranationale rechtsregels van bv. de instellingen van de Europese Unie

o   Verordeningen à gemaakt door de Europese instellingen en heeft rechtstreekse werking, ze moeten niet omgezet worden

o   Richtlijnen à regel gemaakt door Europa maar de lidstaten moeten zelf hun regelgeving nog aanpassen, zodat het doel bereikt wordt

o   Besluiten à beslissingen die op naam van 1 land of bedrijf gemaakt worden

2.    De hiërarchie van de rechtsnormen

1.     Plaats van de rechtsregels in de hiërarchie van de rechtsnormen

·       Tussen de rechtsregels die uitgaan van verschillende instanties, bestaat een bepaalde rangorde

·       = een hiërarchische verhouding tussen hogere en lagere normen

è Vlaams parlement maakt decreten

è Brussels parlement maakt ordonnanties

è Uitvoeringsbesluiten à koninklijke besluiten van de federale regering

 

·       Plaats van internationale en supranationale regels? Rechtspraak van de hoogste rechtscolleges:

o   Supranationale regels van de EU staan boven de Grondwet!!

o   Geen eensgezindheid over feit of internationale verdragen boven de Grondwet staan.

2.     Betekenis van de hiërarchie van de rechtsnormen

·       Een ‘lagere’ overheid moet de normen van een hogere overheid respecteren

·       Een rechters mag een ‘lagere’ norm maar toepassen als deze in overeenstemming is met hogere normen

Stel: een partij in een rechtszaak werpt op dat een wetsartikel in strijd is met de Grondwet

o   De rechter mag dat wetsartikel niet zelf toetsen aan de GW.; alleen het Grondwettelijk Hof is hiervoor bevoegd

o   De rechter zal eventueel een prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof

 

è Het Grondwettelijk Hof is bevoegd om wetten, decreten en ordonnanties te toetsen aan de GW.

è Zie verder (Hoofdstuk 4, titel 3)

è De Raad van State is bevoegd om uitvoeringsbesluiten, provinciale en gemeentelijke reglementen te toetsen op hun wettigheid

 

·       Een rechter moet een uitvoeringsbesluit, provinciaal of gemeentelijk reglement buiten toepassing laten indien deze in strijd is met een hogere rechtsregel (Art. 159 Gw.)

 

3.    De Grondwet als hoogste norm in de hiërarchie van de rechtsnormen

1.     Wat is een grondwet?

·       Wettekst die de fundamentele regels van een staat bevat en de organisatie van een staat vastlegt

·       Wettekst die de fundamentele rechten en vrijheden waarborgt

 

2.     Inhoud van de Belgische Grondwet

·       Basisbeginselen van de Belgische staatstructuur

·       Organisatie en werking van de instellingen van de WM, UM en RM evenals hun onderlinge verhouding

·       Bevoegdheidsafbakening tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten

·       Bepalingen m.b.t. de provincie en de gemeente

·       Rechten en vrijheden

 

3.     Kenmerken van de Belgische Grondwet

·       Fundamentele tekst

o   Juridische fundamenten van de staatstructuur

o   De Grondwet kan maar gewijzigd worden mits het naleven van een strenge procedure

·       Basistekst

o   200-tal bepalingen

o   De grondwet dient te worden aangevuld met een aantal andere wetten (zoals de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen (BWHI))

 

Hoofdstuk 4. De federale overheid

1.    De wetgevende macht

1.     De samenstelling van de WM

1.      De drie taken van de WM (Art. 36 GW.)

·       Kamer van volksvertegenwoordigers (federaal parlement)

·       Senaat (federaal parlement)

·       Koning

 

2.      De samenstelling van het federale parlement

1)      De samenstelling van de kamer van volksvertegenwoordigers

A.      De rechtstreekse verkiezing van 150 volksvertegenwoordigers (Art. 61 en 63 Gw.)

·       In principe: vijfjaarlijkse verkiezingen (Art. 65 Gw.)

o   Algemeen enkelvoudig stemrecht (Art. 61 Gw.)

o   Geheime stemming (Art. 62 Gw.)

·       Verkiesbaarheidsvereisten (Art. 64 Gw.)

o   Belg zijn

o   Het genot hebben van de brug, en politieke rechten

o   18 jaar zijn

o   Woonplaats in België hebben

·       Op de kieslijst van elke partij: evenveel mannelijke als vrouwelijke kandidaten

·       Voorwaarden om te gaan stemmen (Art. 61 Gw.)

o   Belg zijn

o   Niet van het stemrecht uitgesloten of geschort zijn

o   18 jaar zijn

·       Stemplicht? Opkomstplicht (Art. 62, lid 3 Gw.)

·       Kieskringen

o   11 kieskringen

o   Kieslijst verschilt per kieskring

o   Evenredige vertegenwoordiging: het aantal kandidaten dat in een kieskring verkozen wordt, is afhankelijk van het aantal inwoners

·       Kiesdrempel

o   5% van de stemmen behalen in de kieskring

·       Samenstelling van de Kamer van volksvertegenwoordigers

 

B.      De plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers

·       Voorzitten van de plenaire vergadering

o   Verkozen door de plenaire vergadering

o   Rol

o   Huidige voorzitten: Peter De Roover

·       Politieke fracties

·       Aanwezigheid van de federale regering

 

·       Taalgroepen

o   Nederlandse taalgroep

o   Franse taalgroep

o   Als je verkozen bent in een kieskring van het Nl taalgebied, dan behoor je tot de NL taalgroep. Ben je verkozen in een kieskring van het FR/Duitse taalgebied, dan behoor je tot de FR taalgroep.

o   Ben je verkozen in de kieskring Brussel-Hoofdstad: de taalgroep wordt bepaald door de taal van de eedaflegging

·       10 gecoöpteerde senatoren (Art. 67, § 1, 6°-7° Gw.)

·       Samenstelling van de Senaat

 

C.     De plenaire vergadering van de Senaat

·       Voorzitter van de plenaire vergadering

o   Verkozen van de plenaire vergadering

o   Rol

o   Huidige voorzitter: Valérie De Bue

·       Politieke fracties

·       Aanwezigheid van de federale regering

·       Taalgroepen (Art. 43, §2 Gw.)

o   Nederlandse taalgroep: 35 leden (29 NL-talige deelstaatsenatoren en 6 gecoöpteerden à extra aangewezen door het parlement)

o   Franse taalgroep: 24 leden (20 FR-talige deelstaatsenatoren en 4 gecoöpteerden)

o   Duistalige gemeenschapssenator /=/ taalgroepen

2.     De bevoegdheden van de WM

Overzicht

·       Het maken van wetten

·       Het controleren van de UM

·       Het oprichten van de onderzoekscommissies

·       Het goedkeuren van verdragen

·       Het wijzigen van de Grondwet

·       Andere bevoegdheden

 

1.      Het maken van wetten

1)      De bevoegdheidsverdeling tussen KvV en Senaat

Drie totstandkomingsprocedures van federale wetgeving

-          KvV en senaat gelijk bevoegd

= verplicht bicamerale procedure

-          KvV met Senaat als bezinningskamer

= optioneel bicamerale procedure

-          KvV alleen bevoegd (dus zonder Senaat)

= monocamerale procedure

 


è Derde rij Art.74 Gw. !!!

Bevoegdheidsconflicten tussen de KvV en Senaat worden opgelost door de parlementaire overlegcommissie (Art. 82, lid 1 Gw.)

 

2)      De totstandkoming van een wet

 

 

Voorbeelden van wetgevende initiatieven uitgaande van enkele federale volksvertegenwoordigers

 

Voorbeeld van wetgevend initiatief uitgaande van enkele senatoren

 

Wetsvoorstel = initiatief gaat uit van parlementsleden

Voorbeeld van wetgevend initiatief van de koning (“federale regering”)

Ministerraad van 13/9/2019

 

A.      Wetgevend initiatief

·       Indien het initiatief uitgaan van KvV of Senaat, spreken we van een wetsvoorstel

o   Senatoren kunnen enkel een wetgevend initiatief nemen indien de verplicht bicamerale procedure van toepassing is.

·       Indien het initiatief uitgaat van de koning (lees: “de federale regering”), spreken we eerst van een voorontwerp van wet en vervolgens van een wetsontwerp

o   In een eerste fase wordt een voorontwerp van wet (meestal van 1 minister) besproken en goedgekeurd in de ministerraad

o   Vervolgens wordt het voorontwerp ter ondertekening voorgelegd aan de Koning

o   Vanaf de ondertekening spreken we van een wetsontwerp

 

B.      Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State

·       Wanneer advies van de afdeling wetgeving?

o   In principe: enkel voor wetsontwerpen (Art. 3, §1, lid 1 RVS-Wet)

o   In principe: niet voor wetsvoorstellen (Art. 2 RVS-Wet)

o   Nuanceringen

·       Advies is niet bindend

 

C.     De behandeling in het parlement

·       Afhankelijk van de procedure: behandeling in 1 of beide kamers van het parlement

o   Monocamerale procedure: enkel in de KvV

o   Verplicht bicamerale procedure: in de KvV en in de Senaat

o   Optioneel bicamerale procedure: in de KvV, eventueel ook in de senaat

·       In welke kamer het wetgevend initiatief (eerst) besproken wordt, hangt mede af van wie het initiatief uitging.

 

·       Behandeling in de KvV (Senaat)

o   Eerst in parlementaire commissies (specialisten)

-          Bespreking van de tekst

-          Eventueel amendering van de tekst (evt. hoorzittingen)

-          Stemming (eerst per artikel; daarna globaal)

o   Vervolgens in de plenaire vergadering van KvV (Senaat)

-          Bespreking van de tekst

-          Eventueel amendering

-          Stemming (eerst per artikel; daarna globaal)

o   Amenderingsrecht

Voorbeeld 1

Een wetsontwerp m.b.t. de werking van de Senaat

·       Het initiatief gaat uit van de regering (wetsontwerp)

·       De verplicht bicamerale procedure is van toepassing (Art.77 Gw.) want het betreft een wet m.b.t. de werking van de Senaat

·       De regering kan het ontwerp (naar keuze) indienen bij de Kamer of bij de Senaat.

·       Na de behandeling in de ene kamer van het parlement, wordt de tekst ook in de andere kamer behandeld

Voorbeeld 2

Een wetsvoorstel m.b.t. de werking van de Raad van State

·       Het initiatief gaat uit van de Kamer (wetsvoorstel). Het initiatief kan niet uitgaan van de Senaat omdat de optioneel bicamerale procedure van toepassing is (Art. 78 Gw.) De Senaat heeft enkel initiatiefrecht voor materies opgesomd in Art. 77 Gw.

·       Het voorstel wordt eerst in de Kamer behandeld en daarna overgezonden naar de Senaat (die zich over de tekst kan buigen)

o   De stemming (in de commissie en in de plenaire vergadering) verloopt volgens het principe van de “gewone meerderheid van stemmen”

-          De meerderheid van leden moet aanwezig zijn (aanwezigheidsquorum) en

-          Meerderheid van uitgebrachte stemmen is een ja-stem

o   Voor bijzondere wetten is een “bijzondere meerderheid” vereist (Art. 4, lid 3 Gw.)

-          Materies waarvoor een bijzondere wet vereist is

-          Vereisten van een bijzondere meerderheid:

1)      Binnen elke taalgroep: meerderheid van leden is aanwezig

2)      Binnen elke taalgroep: meerderheid van uitgebrachte stemmen is een ja-stem

3)      Globaal (over de taalgroepen heen): totale aantal ja-stemmen = 2/3 van de uitgebrachte stemmen

-          Plaats van bijzondere wetten in de hiërarchie van de rechtsnormen

o   De alarmprocedure

-          Een taalgroep kan de bespreking van een wetsontwerp/-voorstel opschorten indien er een schending van belangen is tussen taalgemeenschappen

-          Specifieke procedure, zie Art.54 Gw.

 

D.     Bekrachtiging door de koning

·       De koning (als tak van de WM) bekrachtigt de door het parlement goedgekeurde tekst: hij gaat akkoord met de tekst

·       De “koning” à minsten 1 minister tekent mee

 

E.      De afkondiging door de koning

·       De koning (als hoofd van de UM) kondigt de wet af: hij geeft groen licht voor de bekendmaking van de wet en de tenuitvoerlegging

·       De “koning” à minstens 1 minister tekent mee

·       In de praktijk: bekrachtiging en afkondiging vallen samen

 

 

F.      De publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad

·       De wet wordt bekendgemaakt door een publicatie in het Belgisch St       aatsblad

G.     De inwerkingtreding van de wet

·       Een wet is in beginsel bindend vanaf de 10e dag na de bekendmaking

 

2.      Het controleren van de UM

1)      De “government making power”

·       Grondwettelijke gewoonte

·       Bij haar aantreden legt de federale regering een regeringsverklaring af in de Kamer, waarna de regering het vertrouwen vraagt

2)      Jaarlijkse goedkeuring van de beleidsverklaring

3)      Jaarlijkse goedkeuring van de begroting

4)      Vertrouwensstemming

A.      De motie van wantrouwen

·       Het initiatief voor de stemming gaat uit van de Kamer

·       Meerderheid van de Kamer stemt voor à er is geen vertrouwen meer in de regering

·       Onderscheid:

o   Een “gewone” motie: ontslag van de regering is strikt genomen niet verplicht

o   Een “constructieve” motie (een motie waarin een opvolger voor de 1ste minister wordt voorgedragen): Verplicht ontslag van de regering (Art. 96, lid 2 Gw.

 

o   Een constructieve motie van wantrouwen kan enkel tegen de gehele regering.

B.      De motie van vertrouwen

·       Het initiatief voor de stemming gaat uit van de regering

·       Meerderheid van de Kamer verwerpt de motie à er is geen vertrouwen meer in de regering

·       Onderscheid:

o   Een “gewone” motie: ontslag van de regering is strikt genomen niet verplicht

o   Een “constructieve” motie (de Kamer draagt binnen de 3 dagen een opvolger voor de 1ste minister wordt voorgedragen): verplicht ontslag van de regering (Art. 96, lid 2 Gw.)

5)      Het interpellatierecht

·       Een interpellatie stelt de verantwoordelijkheid van een minister in vraag

ó een parlementaire vraag

·       Een interpellatie kan gevolgd worden door een vertrouwensstemming

 

3.      Het oprichten van onderzoekscommissies

·       Oprichten kan enkel door de KvV

·       Problemen in de maatschappij onderzoeken en oplossingen voorstellen

4.      Het goedkeuren van verdragen

1)      Aangelegenheden waarover de federale overheid verdragen tot stand kan brengen

·       Enkel m.b.t. aangelegenheden waarvoor de federale overheid bevoegd is

·       Gemengde verdragen

2)      De totstandkoming van een verdrag

·       Onderhandelingen door de regering

·       Het sluiten of ondertekenen van een verdrag door de regering

·       Het goedkeuren van een verdrag door de kamer (goedkeuringswet: monocamerale procedure)

·       De bekrachtiging van het verdrag en de goedkeuringswet door de koning

·       De publicatie van het verdrag en de goedkeuringswet

 

5.      Het wijzigen van de grondwet (Art. 195 e.v. Gw.)

1)      Procedure tot het wijzigen van de grondwet

A.      De verklaring tot herziening van de grondwet

·       De koning, de KvV en Senaat keuren een herzieningsverklaring goed. Hierin worden de artikelen aangeduid die in aanmerking komen voor wijziging:

B.      De verkiezingen voor de federale wetgevende kamers

·       Bekendmaking van de herzieningsverklaring in het Belgisch Staatsblad

·       Na de bekendmaking: ontbinding van het parlement en organisatie parlementsverkiezingen

C.     De eigenlijke herziening

·       Het nieuw verkozen parlement heeft de bevoegdheid om de Gw. Te wijzigen (maar enkel binnen de grenzen van de herzieningsverklaring (fase 1)

·       Verplicht bicamerale procedure

·       Grondwettelijke meerderheid is vereist in het parlement (Art. 195, lid 5 Gw.)

-          Eenvoudigere procedure voor louter vormelijke aanpassingen aan de grondwet

-          Overgangsbepaling

 

2)      Situaties waarin een grondwetswijziging niet mogelijk is

·       In oorlogstijd

·       Wanneer het parlement ontbonden is

·      

 

6.      Andere bevoegdheden

·       Het verlenen van naturalisaties

·       Het onderzoeken van de geloofsbrieven van hun leden (voldoet u wel aan de voorwaarden om in de kamer te zetelen) (Art. 48 Gw.)

·       Het opheffen van de parlementaire onschendbaarheid van een parlementslid (Art. 59 Gw.)

·      

 

3.     Het statuut van de parlementsleden

1.      De eedaflegging

·       Eerst onderzoek van de geloofsbrieven (Art. 48 Gw.)

·       Daarna: afleggen van de eed van gehoorzaamheid aan de Grondwet

 

2.      Onverenigbaarheden

·       “Men kan niet tegelijk lid zijn van beide kamers” (Art. 49 Gw.)

·       Volksvertegenwoordiger in een parlement van een gemeenschap of gewest (Art. 119, lid 1 Gw.)

·       Minister (federale regering of van een gemeenschap of gewest)

 

3.      Duur van de functie

1)      In beginsel: 5 Jaar

·       Art. 65, lid 1 en Art. 70 Gw.

·       Legislatuur van 5 jaar

·       Legislatuur /=/ zitting (parlementair jaar)

2)      Uitzonderlijk korter dan 5 jaar: voortijdige verkiezingen

A.      Voortijdige ontbinding van de Kamer door de koning

De koning kan de KvV ontbinden wanneer:

·       De KvV een “gewone” motie van vertrouwen verwerpt (Art. 46, lid 1, 1° Gw.)

·       De KvV een “gewone” motie van wantrouwen aanneemt (Art. 46, lid 1, 2° Gw.)

·       De KvV (bij ontslag van de federale regering) instemt met de ontbinding van het parlement door de Koning (Art. 46, lid 3 Gw.)

 

B.      Verklaring tot herziening van de grondwet

De publicatie van een verklaring tot herziening van de grondwet leidt tot de ontbinding van het parlement

 

4.      De parlementaire immuniteiten

1)      De parlementaire onverantwoordelijkheid (Art. 58 Gw.)

·       “Freedom speech”

·       Absolute immuniteit

o    Niet in duurtijd beperkt

o   Er zijn geen uitzonderingen

2)      De parlementaire onschendbaarheid (Art. 59 Gw.)

A.      De strafrechtelijke onschendbaarheid

·       Een parlementslid kan niet verwezen/rechtstreeks gedagvaard worden voor een rechtscollege of aangehouden worden voor:

o   Misdrijven die zich in het kader van de uitoefening van de parlementaire functie voordoen

o   Misdrijven die zich daarbuiten voordoen

B.      Een tijdelijke onschendbaarheid

·       “tijdens de zitting” (Art. 59, lid 1 Gw.)

·       De facto: zolang het parlementslid zijn functie uitoefent

·       Uitzondering: ingeval van betrapping op heterdaad

 

C.     De opheffing van de onschendbaarheid door de Kamer of Senaat

D.     Extra waarborgen tijdens het strafrechtelijke onderzoek en bij de strafrechtelijke vervolging (Art. 59, lid 2-6 Gw.)

 

2.     De uitvoerende macht

1.     De samenstelling van de UM

1.      De samenstelling van de federale regering

1)      Ministers

A.      Algemeen

·       Ministers worden niet verkozen, maar door de koning benoemd (Art. 96 Gw.)

·       Max. 15 ministers (Art. 99, Lid 1 Gw.)

·       Evenveel Nederlands- als Franstalige (Art. 99, lid 2 Gw.)

·       Beide geslachten moeten vertegenwoordigd zijn.

·       Belg zijn (Art. 97 Gw.)

B.      De eerste minister

·       Staat aan het hoofd van de federale regering.

·       Waakt over de eenheid binnen de federale regering.

·       Is het gezicht van de federale regering.

·       Wordt ondersteund door:

o   Een persoonlijk secretariaat

o   De FOD Kanselarij van de Eerste Minister

C.     De ministers

·       Elke minister is bevoegd voor een bepaald beleidsdomein

·       Een minister wordt ondersteund door:

o   Een FOD

o   Persoonlijke medewerkers (beleidscel/ secretariaat

D.     De vice-eerste ministers

·       Éen vice-eerste minister per politieke partij die deel uitmaakt van de federale regering

·       De vice-eerste minister heeft een zogenaamde ‘brugfunctie’ tussen de federale regering en de eigen politieke partij.

·       De vice-eerste ministers vervangen de eerste minister wanneer deze verhinderd is.

 

2)      Staatssecretarissen (Art. 104 Gw.)

·       Een staatssecretaris wordt toegevoegd aan een minister

·       Gelijkaardige bevoegdheden als een minister maar iets beperkter (in bepaalde gevallen moet de minister aan wie de staatssecretaris is toegevoegd, mee tekenen)

·       De Grondwet legt geen maximum op en bepaalt evenmin dat beide geslachten aanwezig moeten zijn.

 

2.      De vorming van de federale regering

In beginsel wordt een nieuwe federale regering gevormd na de parlementsverkiezingen

1)      Het ontslag van de “zittende” federale regering

·       De regering dient, de dag na de verkiezingen haar ontslag aan aan de koning.

·       De regering wordt een regering van “lopende zaken” totdat een nieuwe regering gevormd is.

2)      Raadpleging van de konign

·       De koning ontvangt een aantal vooraanstaanden in audiëntie: voorzitters van de belangrijkste politieke partijen, …

·       Bespreking van de verkiezingsuitslagen

·       Peilen naar de maatschappelijke issues die door de toekomstige regering dienen te worden aangepakt

3)      De aanstelling van een formateur

·       Taak van de informateur: bij de verschillende politieke partijen aftoetsen met welke partijen zij desgevallend samen een regering kunnen vormen

·       De informateur brengt verslag uit bij de koning

4)      De aanstelling van een formateur

·       De koning stelt op basis van de bevindingen van de informateur een formateur aan

·       Taak van de formateur: een regering vormen en samen een regeerakkoord uitwerken

·       In een regeerakkoord wordt het beleid uitgewerkt dat de regering de komende legislatuur zal voeren

·       In beginsel wordt de formateur eerste minister

5)      De benoeming en eedaflegging van de nieuwe regering

·       De koning benoemt de ministers en staatssecretarissen van de federale regering (Art. 96, lid 1 en 104, lid 1 Gw.)

·       De ministers en staatssecretarissen leggen de eed af in handen van de koning

6)      De regeringsverklaring

·       De nieuwe regering legt een regeringsverklaring af in de kamer

·       De regeringsverklaring bevat de krijtlijnen van het regeerakkoord

·       Op basis van grondwettelijke gewoonte: de regering kan maar aantreden als zij het vertrouwen krijgt van de Kamer. Zij dient daartoe een motie van vertrouwen in in de Kamer

2.     Vergaderingen binnen de UM

1.      De ministerraad

·       Belangrijkste vergadering binnen de UM. Komt wekelijks bijeen

·       Vergadering van federale ministers

·       Volgens de Grondwet maken de staatssecretarissen geen deel uit van de ministerraad, maar zij wonen deze toch bij indien zaken besproken worden waarvoor zij bevoegd zijn.

·       Beslissingen worden bij consensus genomen.

o   Er wordt niet gestemd maar overlegt tot elk lid van de regering zich in de beslissing kan vinden

o   Elk lid van de regering staat solidair achter de genomen beslissing

2.      Het kernkabinet

·       Vergadering van de eerste minister en de vice-eerste ministers

·       Informeel overlegorgaan

·       De belangrijkste dossiers worden eerst in het kernkabinet besproken alvorens de ministerraad erover samenzit

3.      De kroonraad

·       Komt uitzonderlijk bijeen. Laatste keer was in 1960

·       Vergadering van de leden van de federale regering en de ministers van staat, onder voorzitterschap van de koning.

3.     De bevoegdheden van de UM

1.      De UM heeft enkel toegewezen bevoegdheden

·       De UM heeft de toegewezen bevoegdheden

·       De WM heeft de residuaire bevoegdheden

2.      Het uitvoeren van wetten

1)      Het begrip ‘wetgeving uitvoeren’

·       De WM legt in wetgeving het algemeen kader m.b.t. een bepaalde aangelegenheid vast

·       Het is vervolgens aan de UM om uitvoeringsbesluiten te maken zodat de algemene regel concreet in de praktijk kan worden toegepast

 

 

2)      Koninklijke besluiten ter uitvoering van wetgeving

·       Een KB kan algemene regels bevatten

·       Een KB kan ook een individuele draagwijdte hebben

3)      Plaats van een KB in de hiërarchie van de rechtsnormen

 

3.      Het bepalen en het uitvoeren van het algemeen beleid

1)      De regeringsverklaring en de beleidsverklaringen

2)      Het handhaven van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en rust

3)      Bevoegdheden bij de totstandkoming van wetgeving

·       Het wetgevend initiatief

·       Het amenderingsrecht

·       De afkondiging van wetten

4)      Het sluiten van verdragen

Zie hoger: het onderscheid tussen het sluiten en het goedkeuren