L3 Migratie van leukocyten en de ontstekingsreactie (eerste versie)

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/62

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

aanvullen

Last updated 1:51 PM on 5/22/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

63 Terms

1
New cards

waarom moet de migratie van leukocyten geregeld worden?

WBC moeten vanuit bloedbaan tsn/door endotheel kruipen om te migreren naar weefsels → endotheel mag geen bloed lekken!

2
New cards

welke 4 klassen adhesiemoleculen reguleren migratie van leukocyten? (CAM = Cell Adhesion Molecules)

  1. mucine-like CAMs

  2. integrines

  3. Ig-superfamily CAMs

  4. selectines

<ol><li><p>mucine-like CAMs</p></li><li><p>integrines</p></li><li><p>Ig-superfamily CAMs</p></li><li><p>selectines</p></li></ol><p></p>
3
New cards

welke CAMs interageren met elkaar?

  1. mucine-achtige CAMs+ selectines

  2. integrines + Ig-superfamily CAMs

4
New cards

welke CAMs zitten er op het endotheel (met betrekking tot leukocyt migratie)?

  1. selectines

  2. Ig-superfamily CAMs

5
New cards

welke CAMs zitten er op leukocyten (met betrekking tot leukocyt migratie)?

  1. mucine-achtige CAMs

  2. integrines

6
New cards

wat betekent CAM

Cell Adhesion Molecule

7
New cards

wat betekent GlyCAM

glycan-bearing CAM

8
New cards

wat betekent PSGL

P-selection glycoprotein ligand

9
New cards

wat betekent MadCAM

mucosal addressin CAM

10
New cards

wat betekent ICAM

intercellular CAM

11
New cards

wat betekent VCAM

vascular CAM

12
New cards

wat betekent LFA

leukocyte function-associated antigen

13
New cards

wat betekent VLA

very late activation antigen

14
New cards

wat betekent LPAM

lymphocyte Peyer’s patch adhesion molecule

15
New cards

wat doen mucine-achtige CAMs?

  1. zitten op bloedvaten

  2. leukocyten ‘rollen’ over bloedvaten, blijven even plakken aan mucine-achtige CAMs (omkeerbare zwakke interactie)

    1. geen ontsteking: verder mee met bloed

    2. wel ontsteking: cascade waardoor steviger blijft plakken

16
New cards

wat is de volgorde van de stappen in de migratie van leukocyten (kort)?

  1. rollen

  2. activatie chemokine receptor

  3. activatie integrine (adhesie)

  4. migratie

17
New cards

wat zorgt er voor dat een leukocyt even blijft ‘plakken’ bij het rollen over endotheel?

  1. interactie tussen mucine-achtige CAMs + selectine

18
New cards

leg uit: pathway bij migratie leukocyten

aanv

19
New cards

aanb

20
New cards

aanv

21
New cards

aanv

22
New cards

door wat wordt de selectieve migratie van leukocyten bepaald?

door expressie van specifieke adhesiemoleculen: andere combinaties tsn adhesiemoleculen van endotheel en leukocyten

<p>door expressie van specifieke adhesiemoleculen: andere combinaties tsn adhesiemoleculen van endotheel en leukocyten</p>
23
New cards

selectieve migratie van leukocyten wordt bepaald door expressie van specifieke adhesiemoleculen, geef voorbeelden

  1. LPAM-1 + MAdCAM1 → mucosa

  2. CLA + E-selectin → huid

<ol><li><p>LPAM-1 + MAdCAM1 → mucosa</p></li><li><p>CLA + E-selectin → huid</p></li></ol><p></p>
24
New cards

hoe gebeurt de benaming van chemokines (basis)

  1. chemokine: typisch 70-80 AZ, waarbij 4 cysteïnes

  2. als eerste cysteïnes naast elkaar zitten: CCLY → bv CCL4

  3. als er een AZ tussen eerste cysteïnes zit: CXCLY → bv CXCL8

25
New cards

wat is het verschil tussen chemokinen en cytokinen?

  1. cytokinen: eiwitten die fungeren als boodschappers van immuunsysteem

  2. chemokinen: soort cytokinen → zorgen voor chemotaxis: stimuleren migratie van cellen naar weefsels door infectie en ontsteking

26
New cards

hoe ziet een chemokinereceptor er uit?

  1. GPCR

  2. 7 transmembranaire domeinen

27
New cards

hoe gebeurt de signaaltransductie door chemokinereceptoren?

  1. chemokine bindt aan chemokinereceptor → activatie receptor:

  2. G-proteïne met GTP-bindende subeenheden (alfa, bèta, gamma) geven signaal:

    1. activatie Ras/MAP kinase cascade

    2. activatie fosfolipase C-bèta

    3. activatie Rho

  3. JAK activeert proteine kinase C → activeert Akt

→ effecten: celmigratie, genexpressie, survival

<ol><li><p>chemokine bindt aan chemokinereceptor → activatie receptor:</p></li><li><p>G-proteïne met GTP-bindende subeenheden (alfa, bèta, gamma) geven signaal:</p><ol><li><p>activatie Ras/MAP kinase cascade</p></li><li><p>activatie fosfolipase C-bèta</p></li><li><p>activatie Rho</p></li></ol></li><li><p>JAK activeert proteine kinase C → activeert Akt</p></li></ol><p>→ effecten: celmigratie, genexpressie, survival</p>
28
New cards

welke effecten zijn er als een chemokine bindt aan zijn chemokinereceptor?

  1. celmigratie → alle chemokinen

  2. stijging intracellulaire Ca2+ conc → bijna alle chemokinen

  3. angiogenese (=aanmaak nieuwe capillairen) → CXCR2 liganden

  4. anti-angiogenese (=stopt angiogenese) → CXCR3 liganden

  5. anti-apoptitische signalen → CCL1

29
New cards

welke chemokinen zorgen voor celmigratie bij binding aan hun receptor?

alle chemokinen

30
New cards

welke chemokinen zorgen voor stijging van intracellulaire Ca2+ concentratie bij binding aan hun receptor?

bijna alle chemokinen

31
New cards

welke chemokinen zorgen voor angiogenese bij binding aan hun receptor?

angiogenese = aanmaak nieuwe capillairen

CXCR2 liganden

32
New cards

welke chemokinen zorgen voor anti-angiogenese bij binding aan hun receptor?

anti-angiogenese = stoppen angiogenese (stoppen aanmaken nieuwe capillairen)

CXCR3 liganden

33
New cards

welke chemokinen zorgen voor anti-apoptotische signalen bij binding aan hun receptor?

anti-apoptotische signalen = signalen die geprogrammeerde celdood remmen

CCL1

34
New cards

welke soorten leukocyten zijn er?

  1. neutrofiel

  2. basofiel

  3. eosinofiel

  4. monocyten

  5. T lymfocyten

35
New cards

heeft elke soort leukocyt maar 1 soort chemokinereceptor?

nee, de meeste leukocyten coderen voor meerdere chemokinereceptoren

<p>nee, de meeste leukocyten coderen voor meerdere chemokinereceptoren</p>
36
New cards

welke chemokinereceptoren bezit een neutrofiel?

  1. CXCR1

  2. CXCR2

  3. CXCR4

37
New cards

welke chemokinereceptoren bezit een basofiel?

  1. CCR1

  2. CCR2

  3. CCR3

38
New cards

welke chemokinereceptoren bezit een eosinofiel?

  1. CCR1

  2. CCR2

39
New cards

welke chemokinereceptoren bezit een monocyt?

  1. CCR1

  2. CCR2

  3. CCR4

  4. CXCR4

40
New cards

welke chemokinereceptoren bezit een rustende T lymfocyt?

  1. CXCR4

41
New cards

welke chemokinereceptoren bezit een actieve T lymfocyt?

  1. CCR1

  2. CCR2

  3. CCR3

  4. CCR4

  5. CXCR3

  6. CXCR4

42
New cards

chemokineproductie oiv cytokinen aanv

43
New cards

chemokineproductie oiv cytokinen aanv

44
New cards

chemokineproductie oiv cytokinen aanv

45
New cards

chemokineproductie oiv cytokinen aanv

46
New cards

chemokineproductie oiv cytokinen aanv

47
New cards

welke natuurlijke regulatiemechanismen van chemokine activiteit zijn er?

  1. aanv

<ol><li><p>aanv</p></li></ol><p></p>
48
New cards

wat betekent ACKR

atypical chemokine receptor

49
New cards

wat betekent GAG

glycosaminoglycaan

50
New cards

geef voorbeelden van GAG

= glycosaminoglycaan

  1. heparaansulfaat

  2. chrondroitine sulfaat

  3. heparine

  4. dermatan-sulfaat

  5. hyaluronzuur

51
New cards

wat betekent PTM

posttranslational modification (posttranslationele modificatie)

52
New cards

geef voorbeelden van PTM

= posttranslation modification

  1. glycosylation

  2. truncation

  3. citrullination of Arg

  4. nitration of Tyr

53
New cards

wat betekent GPCR

G proteine gekoppelde receptor

54
New cards

leg het experiment uit dat migratie van monocyten aantoont/actine polymerisatie toont

  1. petrischaal met vloeibaar medium met monocyten

  2. pipet met chemokine (MCP-1/CCL2) in vloeistof plaatsen

  3. → cel verandert van vorm, migreert richting pipete

  4. —> toont aan dat monocyten migreren naar MCP-1/CCL2

55
New cards

voor wat staat MCP-1

monocyt chemotactisch proteïne-1, w ook wel CCL2 genoemd

soort chemokine → zorgt voor migratie van leukocyten

56
New cards
<p>leg uit welk experiment hier wordt getoond</p>

leg uit welk experiment hier wordt getoond

in beeld gebracht dmv in vivo microscopie (bloedvat muis)

  1. neutrofiele granulocyten (rood)

  2. endotheelcellen (blauw)

  3. CXCL8/interleukine-8 aangebracht buiten bloedbaan

  4. → neutrofiele granulocyten blijven plakken op bloedvatwand

57
New cards
<p>wat gebeurt er bij dit experiment, in aanwezigheid van een peptide dat in competitie treedt met de stof die initieel buiten de bloedbaan werd aangebracht?</p>

wat gebeurt er bij dit experiment, in aanwezigheid van een peptide dat in competitie treedt met de stof die initieel buiten de bloedbaan werd aangebracht?

  1. initieel buiten bloedbaan CXCL8/interleukine-8 aangebracht (zorgt voor plakken neutrofiele granulocyten aan endotheel)

  2. nu in aanwezigheid van CXCL9(74-103):

    1. gaat in competitie met CXCL8 voor binding aan GAGs (dus endotheel)

    2. → zien dat cellen wel rollen, maar niet meer blijven plakken (<-> enkel CXCL8)

→ naast chemokine aan receptorbinding, ook binding chemokine aan GAGs van endotheel belangrijk voor blijven plakken!

58
New cards

hiv aanv

59
New cards

hiv aanv

60
New cards

hiv aanv

61
New cards

hiv aanv

62
New cards

lokale acute ontsteking aanv

63
New cards

yst acuut fase respons aanv