1/51
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
belang van water (4)
oplosmiddel
reagens of reactieproduct in chemische reacties
transportmiddel (bloed en lymfe)
mucus, smeer of glijmiddel (gewrichten, luchtwegen)
belang van mineralen (+2 vb)
gradiënt in/uit cel is belangrijk voor globale werking
bv. hemoglobine: zuurstofbindend molecule in rode bloedcellen, belangrijk voor transport
Ca2+: meest voorkomend ion, zit in tanden en botten - zetten weefsel om in tandglazuur
glycosidische binding
binding tussen 2 monosachariden / condesatiereactie waarbij water afsplitst
Maltose C12H22O11
2 glucose-moleculen
moutsuiker
bier: omgezet naar alcohol
sacharose C12H22O11
glucose + fructose
sucrose
suikerriet/biet → suikerklontjes
lactose C12H22O11
galactose + glucose
melksuiker
homopolysachariden
aaneenschakeling van dezelfde monosachariden
heteropolosachariden
aaneenschakeling verschillende soorten monosachariden
functie polysachariden
energieopslag en monosachariden
glucose wordt omgezet in glycogeen in lever en spieren
zetmeel in plantencel
structuur
cellulose in celwand planten
chitine in uitwendig skelet insecten
bouwstenen aminozuur
Centrale C
aminogroep H2N
carboxylgroep COOH
Hp
restgroep
peptidebinding
aaneenschakeling aminozuren - opgevouwen tot proteïne
aminozuursamenstelling
welke aminozuren voorkomen in polypeptide
aminozuursequentie
in welke volgorde aminozuren in de keten staan - heeft invloed op functie
primaire structuur
aminozuursequentie - in welke volgorde aminozuren staan. Vastgelegd in DNA en aan elkaar gebonden in een peptidebinding
Secundaire structuur
lineaire keten wordt opgevouwen door waterstofbruggen tussen NH en CO-groepen tot alfa-helix (spiraalvorm) of Beta-vouwblad (alternerend vlak)
tertiaire structuur
volledige keten wordt opgevouwen tot 3D model door interactiest tussen de rest-groepen (disulfidebruggen, waterstofbruggen,ionbindingen,…)
quaternaire structuur
eiwitten die uit meerdere polypeptideketens bestaan worden door intermoleculaire krachten verder opgevouwen en bindingen tussen de moleculen
functie van proteinen
transport (bv. O2 transport door hemoglobine)
structuur (bv. microtubuli in het cytoskelet)
verdediging (bv. antistoffen in het immuunsysteem)
enzymen (biologische katalysatoren voor verschillende chemische reacties)
mobiliteit (samentrekken spierweefsel bv. actine en mysosine)
communicatie (hormonen en receptoren kunnen eiwitten zijn)
enzymen
biokatalysatoren, vaak eiwitten. Versnellen een chemische reactie zonder er zelf aan deel te nemen door verlaging van de activeringsenergie
eigenschappen enzym
substraatspecifiek (sleutel-slotprincipe: 1 substraat bindt aan 1 enzym)
reactiespecifiek (kan maar 1 reactie kathaliseren)
werkt bij optimum temperatuur (37° anders denaturatie)
optimum pH (in cel 7)
co-factor (sommig eenzymen hebben extra molecule nodig dat bindt aan enzyme om het actief te maken - anorganisch of organisch (co-enzym))
substraat
specifieke stof waaro peen enzym inwerkt. Bv. lactose waarop enzym lactase bindt
enzyminhibitie
proces waarbij werking van een enzym vertraagd/ gestopt wordt door externe factor (inhibitor)
competitieve inhibitor
bindt ipv substraat op enzyme → reactie gaat niet door
allosterische inhibitor
bindt op een andere plek dan substraat aan enzyme maar door binding verandert het actief centrum en kan substraat niet binden.
eigenschappen lipiden
geen polymeren
hydrofoob of amfipatisch
weinig of niet oplosbaar in water
bestaan uit CHO(P,N)
triglyceriden opbouw
glycerol groep + 3 vetzuren (verzadigd of onverzadigd)
vetzuur bestaat uit carboxylgroep + koolwaterstofketen
functies triglyceriden
energieopslag
isolatie (in onderhuids vetweefsel)
bescherming (vetweefsel rond organen, schokdemping)
in talg voor soepele huid
bouw fosfolipide
glycerol - gebonden aan 2 vetzuurketens en 1 fosfaatgroep. Soms restgroep gebonden aan fosfaatgroep
eigenschap fosfolipiden
amfipatisch: hydrofiel hoofdje - hydrofobe staart
functie fosfolipiden
structureel - bouwstee nvoor biomembraan (dubbele laag fosfolipiden)
bouw steroiden
4 koolstofringen: 3 zeshoeken en 1 vijfhoek
cholesterol: eigenschap en functie
amfipatisch - zit in celmembraan st
steroiden gevormd vanuit cholesterol
geslachtshormonen (oestrogeen progesteron testosteron)
bijnierchromosomen (cortisol, cortison, aldosteron)
vitamine d
galzuren
nucleïnezuren: opbouw en types
polymeren van nucleotiden
DNA (desoxyribonucleinezuur)
RNA (ribonucleinezuur)
bouw nucleotide
suikergroep
pentose (vijfring)
DNA: desoxyribose (H groep op C’2) ←> RNA: ribose (OH groep op C’2)
Stikstof houdende base
Purines: Adenine - Guanine
Pyrimidines: Thymine (DNA) - Cytosine - Uracil (RNA)
Fosfaatgroep
aan C’5
Verschillen DNA en RNA
Suiker: desoxyribose vs ribose
basen: THymine vs uracyl
vorm: dubbele helix vs enkelstrengig
functie: permanente opslag genetische info vs overdracht en vertaling voor eiwitproductie
mRNA
messenger RNA: brengt gecodeerde boodschap vanuit DNA naar cytoplasma
codon
code voor 1 aminozuur; opeenvolging 3 nucleotiden
tRNA (naam - functie - bouw)
transport RNA
transporteert aminozuren in het cytoplasma
bindt met bepaald triplet (anticodon) aan codon in mRNA. Aan 3’ uiteinde bindt aminozuur, afhankelijk van anticodon
klaverbladstructuur gevormd door intermoleculaire waterstofbruggen
aminzouur dragend tRNA
amino-acyl tRNA
rRNA
ribosomaal RNA
bindt aan ribosomale eiwitten tot ribosoom
ribosomen (opbouw functie)
kleine subeenheid (rRNA) en grote subeenheid (ribosomale eiwitten)
vertalen informatie mRNA in eiwit (in juiste volgorde aaneenschakeling aminozuren)
stofwisseling / celmetabolisme
geheel aan chemische reacties in de cel
Katabole en anabole reacties
anabole reacties
opbouw-reacties
grotere moleculen opgebouwd uit kleinere
endo-energetische reacties (energie nodig)
bv. assimilatie van lactose (glucose+galactose → lactose)
anabolisme
alle anabole reacties van de cel samen
katabole reacties
afbraakreacties
grotere moleculen afgebroken tot kleine
exo-energetisch (energie komt vrij)
bv. Dissimilatie van lactose (lactose → glucose+galactose)
Katabolisme
geheel aan afbraakreacties van de cel
intracellulaire vertering (wat + waarom)
ongeewenste stoffen en beschadigde celorganellen afbreken
cellulaire gezondheid behouden / deel van afweer van ziekteverwekkers
lysosomen (wat - eigenschap +hoe)
membraanomgeven organellen afkomstig van golgi-apparaat
bevatten enzymen (protease, nuclease, lipase,…)
zure milieu (pH 4,5 - 5, optimaal voor verteringsenzymen, in stand gehouden door protondeeltjes opnemen via protonenpomp tegen concentratiegradient in)
lysosomen (functie + hoe)
afbreken biologisch materiaal (oude organellen, indringers, ongewenste moleculen)
te verteren materiaal wordt ingesloten in blaasje dat fuseert met lysosoom
lysosomale enzymen breken af tot basisbouwstenen die herbruikt kunnen worden
autofagie
proces waarbij cel haar eigen beschadigde of oude celorganellen afbreekt en hergebruikt
bv. wanneer cel onder stress staat
autofagosoom (blaasje dubbel lipdienmembraan) omringt te verteren membraan. Autofagosoom fuseert met lysosoom. Lysosomale enzymen verteren materiaal
fagocytose
vorm endocytose, grote externe deeltjes worden opgenomen uit extracellulaire omgeving en verteerd
belangrijke rol in immuunsysteem (gespecialiseerde cellen, bv. macrofagen, eten schadelijke indringers op en vernietigen)
pseudopodia (uitsteeksels celmembraan) omringen extracellulair deeltje, vormen fagosoom (blaasje dat deeltje bevat)
fagosoom fuseert met lysosoom, lysosoom breekt af