Bio m2: chemische samenstelling van de cel

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/51

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:04 PM on 5/24/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

52 Terms

1
New cards

belang van water (4)

  • oplosmiddel

  • reagens of reactieproduct in chemische reacties

  • transportmiddel (bloed en lymfe)

  • mucus, smeer of glijmiddel (gewrichten, luchtwegen)

2
New cards

belang van mineralen (+2 vb)

  • gradiënt in/uit cel is belangrijk voor globale werking

  • bv. hemoglobine: zuurstofbindend molecule in rode bloedcellen, belangrijk voor transport

  • Ca2+: meest voorkomend ion, zit in tanden en botten - zetten weefsel om in tandglazuur

3
New cards

glycosidische binding

binding tussen 2 monosachariden / condesatiereactie waarbij water afsplitst

4
New cards

Maltose C12H22O11

2 glucose-moleculen

moutsuiker

bier: omgezet naar alcohol

5
New cards

sacharose C12H22O11

glucose + fructose

sucrose

suikerriet/biet → suikerklontjes

6
New cards

lactose C12H22O11

galactose + glucose

melksuiker

7
New cards

homopolysachariden

aaneenschakeling van dezelfde monosachariden

8
New cards

heteropolosachariden

aaneenschakeling verschillende soorten monosachariden

9
New cards

functie polysachariden

  • energieopslag en monosachariden

    • glucose wordt omgezet in glycogeen in lever en spieren

    • zetmeel in plantencel

  • structuur

    • cellulose in celwand planten

    • chitine in uitwendig skelet insecten

10
New cards

bouwstenen aminozuur

  • Centrale C

  • aminogroep H2N

  • carboxylgroep COOH

  • Hp

  • restgroep

11
New cards

peptidebinding

aaneenschakeling aminozuren - opgevouwen tot proteïne

12
New cards

aminozuursamenstelling

welke aminozuren voorkomen in polypeptide

13
New cards

aminozuursequentie

in welke volgorde aminozuren in de keten staan - heeft invloed op functie

14
New cards

primaire structuur

aminozuursequentie - in welke volgorde aminozuren staan. Vastgelegd in DNA en aan elkaar gebonden in een peptidebinding

15
New cards

Secundaire structuur

lineaire keten wordt opgevouwen door waterstofbruggen tussen NH en CO-groepen tot alfa-helix (spiraalvorm) of Beta-vouwblad (alternerend vlak)

16
New cards

tertiaire structuur

volledige keten wordt opgevouwen tot 3D model door interactiest tussen de rest-groepen (disulfidebruggen, waterstofbruggen,ionbindingen,…)

17
New cards

quaternaire structuur

eiwitten die uit meerdere polypeptideketens bestaan worden door intermoleculaire krachten verder opgevouwen en bindingen tussen de moleculen

18
New cards

functie van proteinen

  • transport (bv. O2 transport door hemoglobine)

  • structuur (bv. microtubuli in het cytoskelet)

  • verdediging (bv. antistoffen in het immuunsysteem)

  • enzymen (biologische katalysatoren voor verschillende chemische reacties)

  • mobiliteit (samentrekken spierweefsel bv. actine en mysosine)

  • communicatie (hormonen en receptoren kunnen eiwitten zijn)

19
New cards

enzymen

biokatalysatoren, vaak eiwitten. Versnellen een chemische reactie zonder er zelf aan deel te nemen door verlaging van de activeringsenergie

20
New cards

eigenschappen enzym

  • substraatspecifiek (sleutel-slotprincipe: 1 substraat bindt aan 1 enzym)

  • reactiespecifiek (kan maar 1 reactie kathaliseren)

  • werkt bij optimum temperatuur (37° anders denaturatie)

  • optimum pH (in cel 7)

  • co-factor (sommig eenzymen hebben extra molecule nodig dat bindt aan enzyme om het actief te maken - anorganisch of organisch (co-enzym))

21
New cards

substraat

specifieke stof waaro peen enzym inwerkt. Bv. lactose waarop enzym lactase bindt

22
New cards

enzyminhibitie

proces waarbij werking van een enzym vertraagd/ gestopt wordt door externe factor (inhibitor)

23
New cards

competitieve inhibitor

bindt ipv substraat op enzyme → reactie gaat niet door

24
New cards

allosterische inhibitor

bindt op een andere plek dan substraat aan enzyme maar door binding verandert het actief centrum en kan substraat niet binden.

25
New cards

eigenschappen lipiden

  • geen polymeren

  • hydrofoob of amfipatisch

  • weinig of niet oplosbaar in water

  • bestaan uit CHO(P,N)

26
New cards

triglyceriden opbouw

glycerol groep + 3 vetzuren (verzadigd of onverzadigd)

vetzuur bestaat uit carboxylgroep + koolwaterstofketen

27
New cards

functies triglyceriden

  • energieopslag

  • isolatie (in onderhuids vetweefsel)

  • bescherming (vetweefsel rond organen, schokdemping)

  • in talg voor soepele huid

28
New cards

bouw fosfolipide

glycerol - gebonden aan 2 vetzuurketens en 1 fosfaatgroep. Soms restgroep gebonden aan fosfaatgroep

29
New cards

eigenschap fosfolipiden

amfipatisch: hydrofiel hoofdje - hydrofobe staart

30
New cards

functie fosfolipiden

structureel - bouwstee nvoor biomembraan (dubbele laag fosfolipiden)

31
New cards

bouw steroiden

4 koolstofringen: 3 zeshoeken en 1 vijfhoek

32
New cards

cholesterol: eigenschap en functie

amfipatisch - zit in celmembraan st

33
New cards

steroiden gevormd vanuit cholesterol

  • geslachtshormonen (oestrogeen progesteron testosteron)

  • bijnierchromosomen (cortisol, cortison, aldosteron)

  • vitamine d

    • galzuren

34
New cards

nucleïnezuren: opbouw en types

  • polymeren van nucleotiden

  • DNA (desoxyribonucleinezuur)

  • RNA (ribonucleinezuur)

35
New cards

bouw nucleotide

  • suikergroep

    • pentose (vijfring)

    • DNA: desoxyribose (H groep op C’2) ←> RNA: ribose (OH groep op C’2)

  • Stikstof houdende base

    • Purines: Adenine - Guanine

    • Pyrimidines: Thymine (DNA) - Cytosine - Uracil (RNA)

  • Fosfaatgroep

    • aan C’5

36
New cards

Verschillen DNA en RNA

  • Suiker: desoxyribose vs ribose

  • basen: THymine vs uracyl

  • vorm: dubbele helix vs enkelstrengig

  • functie: permanente opslag genetische info vs overdracht en vertaling voor eiwitproductie

37
New cards

mRNA

messenger RNA: brengt gecodeerde boodschap vanuit DNA naar cytoplasma

38
New cards

codon

code voor 1 aminozuur; opeenvolging 3 nucleotiden

39
New cards

tRNA (naam - functie - bouw)

  • transport RNA

  • transporteert aminozuren in het cytoplasma

    • bindt met bepaald triplet (anticodon) aan codon in mRNA. Aan 3’ uiteinde bindt aminozuur, afhankelijk van anticodon

  • klaverbladstructuur gevormd door intermoleculaire waterstofbruggen

40
New cards

aminzouur dragend tRNA

amino-acyl tRNA

41
New cards

rRNA

  • ribosomaal RNA

  • bindt aan ribosomale eiwitten tot ribosoom

42
New cards

ribosomen (opbouw functie)

  • kleine subeenheid (rRNA) en grote subeenheid (ribosomale eiwitten)

  • vertalen informatie mRNA in eiwit (in juiste volgorde aaneenschakeling aminozuren)

43
New cards

stofwisseling / celmetabolisme

geheel aan chemische reacties in de cel

Katabole en anabole reacties

44
New cards

anabole reacties

  • opbouw-reacties

  • grotere moleculen opgebouwd uit kleinere

  • endo-energetische reacties (energie nodig)

  • bv. assimilatie van lactose (glucose+galactose → lactose)

45
New cards

anabolisme

alle anabole reacties van de cel samen

46
New cards

katabole reacties

  • afbraakreacties

  • grotere moleculen afgebroken tot kleine

  • exo-energetisch (energie komt vrij)

  • bv. Dissimilatie van lactose (lactose → glucose+galactose)

47
New cards

Katabolisme

geheel aan afbraakreacties van de cel

48
New cards

intracellulaire vertering (wat + waarom)

  • ongeewenste stoffen en beschadigde celorganellen afbreken

  • cellulaire gezondheid behouden / deel van afweer van ziekteverwekkers

49
New cards

lysosomen (wat - eigenschap +hoe)

  • membraanomgeven organellen afkomstig van golgi-apparaat

  • bevatten enzymen (protease, nuclease, lipase,…)

  • zure milieu (pH 4,5 - 5, optimaal voor verteringsenzymen, in stand gehouden door protondeeltjes opnemen via protonenpomp tegen concentratiegradient in)

50
New cards

lysosomen (functie + hoe)

  • afbreken biologisch materiaal (oude organellen, indringers, ongewenste moleculen)

  • te verteren materiaal wordt ingesloten in blaasje dat fuseert met lysosoom

  • lysosomale enzymen breken af tot basisbouwstenen die herbruikt kunnen worden

51
New cards

autofagie

  • proces waarbij cel haar eigen beschadigde of oude celorganellen afbreekt en hergebruikt

  • bv. wanneer cel onder stress staat

  • autofagosoom (blaasje dubbel lipdienmembraan) omringt te verteren membraan. Autofagosoom fuseert met lysosoom. Lysosomale enzymen verteren materiaal

52
New cards

fagocytose

  • vorm endocytose, grote externe deeltjes worden opgenomen uit extracellulaire omgeving en verteerd

  • belangrijke rol in immuunsysteem (gespecialiseerde cellen, bv. macrofagen, eten schadelijke indringers op en vernietigen)

  • pseudopodia (uitsteeksels celmembraan) omringen extracellulair deeltje, vormen fagosoom (blaasje dat deeltje bevat)

  • fagosoom fuseert met lysosoom, lysosoom breekt af