1/29
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
chronologische vertelling
de gebeurtenissen worden één na één weergegeven, je leest wat er eerst gebeurde
spanningsopbouw
het geheel van technieken die de auteur gebruikt om het verhaal spannend te maken
cliffhanger
wanneer een verhaal plots stopt op een spannend moment je absoluut het vervolg wil weten
inmediasres
een verhaallijn die midden in de actie begint en je daarna pas de voorgeschiedenis en de personages leert kennen
gesloten einde
het hoofdprobleem is opgelost en je weet waar de personages staan en hoe ze zich voelen
open einde
het verhaal kan nog alle kanten uitgaan en er is nog heel wat niet opgelost
protagonist
het personage dat centraal staat
antagonist
de tegenstander van het hoofdpersonage
nevenpersonages
bijfiguren die op de achtergrond aanwezig zijn
rond/round personage
is helemaal uitgewerkt character, we kennen de gedachtes en gevoelens
vlak/flat personage
is een personage dat maar oppervlakkig wordt beschreven en in de loop van het verhaal gelijk blijft
stereotypes
personages die niet origineel zijn
belevende ik
ik-verteller die als personage meespeelt in het verhaal
vertellende-ik
ik-verteller die de gebeurtenissen achteraf verteld
alwetende/auctoriële hij/zij verteller
een verteller die boven het verhaal staat en alles weet over iedereen
personele hij/zij verteller
verteller die in de hij/zij vorm door de ogen van één personage het verhaal verteld
betrouwbaarheid
je krijgt informatie die niet altijd correct of gekleurd is
meervoudig vertelperspectief
er worden verschillende vertellers door elkaar gebruikt
tijdsprong
betekent dat er een passage wordt weggelaten omdat die niet interessant is voor de tijdlijn
flashback
een lange passage die verteld over het verleden
flashforward
een passage die zich pas later afspeelt in het verhaal
vertelde tijd
de tijd die voorbijgaat in het verhaal (in minuten, uren, jaren)
verteltijd
de tijd die je nodig hebt om het verhaal te lezen of te vertellen
gelijktijdigheid
wanneer de vertelde tijd en de vertel tijd samen vallen
versnelling
het tempo van het verhaal verhoogt, sommige gebeurtenissen zijn korter weergegeven
vertraging of retardering
de auteur geeft een gebeurtenis extreem traag of gedetailleerd weer
geografische ruimte
de concrete plaats waar het verhaal zich afspeelt
sfeer
soms komt deze overeen met de gebeurtenissen of contrasteert die juist
symbolische ruimte
een achterliggend idee of thema
thema
het centrale probleem van een verhaal, het algemene idee achter het verhaal