1/24
Deze flashcards behandelen de kenmerken van democratische, communistische en fascistische staten in de jaren '20 en '30, inclusief belangrijke terminologie en historische gebeurtenissen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Politieke democratie
Een systeem gekenmerkt door de scheiding der machten, pluralisme en inspraak van de burger.
Rechtsstaat
Een staat met onafhankelijke rechtbanken waar de politie fungeert als preventie en bescherming voor alle burgers.
Authoritair
Een bestuursvorm gericht op sterke gezagsinstanties, gekenmerkt door een anti-democratische houding, het ontbreken van de scheiding der machten en een éénpartijstelsel.
Personencultus
De extreme verheerlijking van een leider, bijvoorbeeld via standbeelden, foto's op openbare plaatsen en het vernoemen van steden zoals Leningrad en Stalingrad.
Totalitair
Een systeem waarbij de staat het denken en handelen van het individu volledig bepaalt en ondergeschikt maakt aan de staatsideologie.
Goelags
Werkkampen waar burgers met een kritische houding ten aanzien van de communistische staat werden opgesloten voor dwangarbeid.
Leidersprincipe
De verheerlijking van de leider in extreem-rechtse staten, zoals Adolf Hitler (Der Führer) in Duitsland en Benito Mussolini (Il Duce) in Italië.
Reichstag
Het Duitse parlementsgebouw dat in brand werd gestoken, wat leidde tot de vernietiging van de wetgevende macht in nazi-Duitsland.
NSDAP
De National Sozialistische Deutsche Arbeiterspartei, de enige toegestane politieke partij (nazi-partij) in het Duitse éénpartijstelsel.
Fasco di combattimento
De politieke beweging van de fascisten in Italië onder leiding van Mussolini.
Hitlerjugend
De nazistische jeugdbeweging voor jongens van 10 tot 18 jaar, bedoeld om hen te doordringen van de nazi-ideologie.
Bund Deutscher Mädel
De nazistische jeugdbeweging specifiek gericht op meisjes in Duitsland.
Entärtet Kunst
Term voor 'ontaarde' of inferieure kunst, zoals Jazzmuziek of expressionisme, die door de nazi's werd verboden of vernietigd.
Mare nostrum
De droom van Mussolini waarbij alle gebieden rond de Middellandse Zee onder Italiaans gezag moesten komen te staan, verwijzend naar het Romeinse verleden.
Fasci
Roedenbundels die in de Romeinse tijd een machtssymbool waren; de naam van de fascistische partij is hiervan afgeleid.
Herrenvolk
De term voor het 'superieure' Duitse volk dat volgens de nazistische rassenleer bestemd was om over andere volkeren te heersen.
Slavenvolk
Inferieur geachte volkeren volgens de nazi's, zoals Polen en Russen, die het Herrenvolk moesten dienen.
Übermensch versus Untermensch
Het onderscheid in de nazistische rassenleer tussen de superieure Arische mens en de inferieur geachte minderheden.
Antisemitisme
Haat tegenover Joden gebaseerd op hun eigen identiteit en volksaard, extreem aanwezig in nazi-Duitsland vanaf de 18de eeuw.
Antijudaïsme
Religieus gemotiveerde haat tegen Joden, vooral in de middeleeuwen, waarbij zij werden gezien als verantwoordelijk voor de dood van Jezus Christus.
Nürnbergwetten (1935)
Wetten die vermenging tussen het Duitse en Joodse volk verboden en Joden hun burgerrechten en toegang tot openbare functies ontnamen.
Kristallnacht (1938)
Een door de nazi's georganiseerde actie waarbij Joodse huizen, winkels en synagogen werden geplunderd en in brand gestoken.
Endlösung
De nazi-term (ook wel Holocaust of Shoah genoemd) voor de systematische uitroeiing van Joden en zigeuners in concentratiekampen vanaf 1942.
Solidaristisch
Het principe waarbij men in de eerste plaats solidair is met volksgenoten, ongeacht hun sociale status of klasse.
Corporatistisch
Een systeem van raden (corporaties) waarin arbeiders en werkgevers samenwerken, gekenmerkt door een sterke afkeer van vakbonden (antisyndicalisme).