1/59
Strategie
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Strategie
Bepalen van basisdoelstellingen op de lange termijn (5-10 jr). Bepalen van de mogelijke acties om deze doelstellingen te halen en kiezen tussen verschillende alternatieven. (definitie van Chandler)
Missie
Geeft aan waaraan de onderneming haar bestaansrecht ontleent. Waarvoor staan de mensen uit de organisatie, wat is hun indentiteit, wat zijn hun normen, waarden en overtuigingen. Wat willen we bereiken, wat maakt ons uniek?
Ook wel Mission statement genoemd.
Moet voldoen aan onderstaande voorwaarden
-Wie wat hoe?
-Bevat ambities en doelen
-Bevat normen en waarden van bedrijf
Visie
Gericht op de toekomst, kan daarom worden bijgesteld. Geeft aan hoe het bedrijf haar toekomst ziet.
Volgorde bepalen missie, visie en strategie
Eerst de missie en visie daarna wordt de strategie bepaalt. Missie en visie moeten worden vertaald in doelstelllingen
Niveaus doelstellingen
strategisch, tactisch (ook wel organisatorisch) en operationeel
Planning en controlcyclus
Ook wel PDCA cyclus of Deming Cyclus genoemd. bestaat uit activiteiten waaruit een besturingsproces bestaat volgens W. Edwards Deming
Plan, Do, Check, Act →
Plannen: concrete plannen maken
Uitvoeren: (zorgen dat) geplande activiteiten uitvoeren
Controleren: controleren of doelstellingen worden bereikt
Corrigeren: eventueel planenn of norm aanpassen als de behaalde resultaten niet afwijken van de doelstellingen
Functies management
Plannen: plannen maken.
Organiseren: er voor zorgen dat de plannen worden uitgevoerd.
Coördineren: diverse werkzaamheden moeten goed worden afgestemd op elkaar.
Dirigeren: taken overdragen aan leidinggevende (delegeren).
Controleren: controleren of doelstellingen worden gerealiseerd.
KSF
Kritische succes factor
= een factor van de onderneming die essentieel is voor de continuïteit en succes van de organisatie. Vormen de basis voor de management informatie die het management nodig heeft. Meet je aan de hand van PI’s (prestatie indicator)
PI
Prestatie-indicator. Voor elke indicator word een norm vastgesteld door de norm krijgt een uitkomst waarde
SMART Principe
Stelt hoge eisen aan het formuleren van een PI. Hier moeten PI’s aan voldoen:
Specifiek
Meetbaar
Accetabel
Realistisch
Tijdsgebonden
BSCs
Balanced Score Card. ontwikkeld door Kaplan en Norton
PDCA cyclus in 1 instrument ondergebracht
Wordt gebruikt om concreet vast te stellen of de organisatie slaagt om doelstellingen te realiseren (op lange, middellange en korte termijn)
Hierbij spelen KSF en Pi’s een belangrijke rol
Perspectieven waaruit het functioneren van een bedrijf word bekeken
Financieel perspectief
Perspectief van de klant
Perspectief van interne processen
Perspectief van innovatie en lerend vermogen
Financieel perspectief
in welke maten zijn de aandeelhouders/vermogenverschaffers tevreden over de onderneming
KSF voorbeeld: winstgevendhied, kostenbeheersing.
Perspectief van de klant
draait om hoe de klanten tegen de organisatie aan kijken. voorbeeld
KSF: snelle levertijd en klantevredenheid mbt de kwaliteit van het product of dienstverlening.
Perspectief van interne processen
op welke gebieden moet de ondernemingen haar prestaties verbeteren (zodanig dat dit toegevoegde waarde heeft tov de klant. (bijv verhoging productiviteit van de wn’ers→ lagere kost/verkoopprijs, kortere doorlooptijd→ korter levertijd, gezond werkklimaat→ betere kwaliteit dienstverlening.
Management principes
financieel management
marketing management
personeelsmanagement (HRM)
ICT-management
kwaliteitsmanagement
procesmanagement
operationsmanagement
informatiemanagement
verandermanagement
projectmanagement
Verandermanagement
Vorm van management die zich bezig houd met het verandern van de structuur en/of de wrekwijze van de organisatie.
Onderscheid tussen gepland en ongepland veranderen.
Benaderingswijzen/vormen gepland veranderen
Ontwikkelmodel
Ontwerpmodel
Ontwikkelmodel
is een benaderingswijze bij gepland veranderen
sleutelwoorden vertrouwen, vrijheid, verantwoordelijkheidsgevoel
Hele organisatie bepaalt met elkaar welke procedures, instructies er nodig zijn om tot een bepaalde eindsituatie te komen. Directie heeft een leidende rol in het bepalen van de gewenste eindsituatie
Ontwerpmodel
is een benaderingswijze bij gepland veranderen
sleutelwoord: Controle
De directie/ondernemingsleiding stelt vooraf zo nauwkeuring mogelijk vast welke procedures en instructies er nodig zijn om tot een bepaalde eindsituatie te komen.
Projectmanagement
Bestaat uit:
-start project
-planning fasen en/of deelprojecten bepalen
-uitvoering van werkzaamheden
-opvolging van de projectvoortgang
-afronding en beëindiging
Projectplan
Plan waarin je de fasen en deelprojecten vastlegt. ook de inzet van financiële middelen, medewerkers en andere middelen worden opgenomen hierin.
Veranderplan
voor de vastlegging van welke verandering het management voor ogen heeft welke stappen, financiele middelen, medewerkers en andere middelen nodig zijn voor de verandering. is raadzaam bij geplande verandering.
Organisatiestructuren
Lijnorganisatie
Functionele organisatie
Lijn-staf organisatie
Matrixorganisatie
Projectorganisatie
Divisieorganisatie
Lijnorganisatie
In een lijnorganisatie heeft elke werknemer een manager boven zich. Elke leidinggevende heeft een hiërarchische bevoegdheid. Duidelijke keten van bevel→ opdrachten gaan an hoger management via het lager management naar de uitvoerende medewerker.
Functionele organisatie
Is verdeeld in een aantal afdelingen die zich bezig houdt met één functie (met één specialitisch vakgebied). Elke afdeling heeft een leidinggevende.
In de oorspronkelijk vorm werd deze organisatie beschreven dor Frederick Winslow Taylor (als onderdeel van het scientific management)
Bestaat uit 8 specialisaties (daarom ook wel het achtbazenstelsel genoemd)
tijdplanning
planning bewerkingsvolgorde
kostprijsbepaling bedrijfsbureau
werkmethoden
tempo
kwaliteitscontrole
onderhoud werkplaats
discipline
Lijn-staf organisatie
Is een Lijn organisatie waarbij op een hoog niveau gespecialiseerde staffunctionarissen een adviserende en ondersteunende rol hebben zonder beslissingsbevoegdheid
Matrixorganisatie
Is ingericht obv 2 uitgangspunten. Kan een combinatie van 2 structuren zijn bijvoorbeeld functionele structuur en een divisiestructuur.
Projectorganisatie
Ook wel een matrix organisatie wanneer deze tijdelijk voorkomt.
Soms werken organisaties ook continu in projectvorm zoals bij een reclamebureau.
Divisieorganisatie
Beschreven in 1979 door Henry Mintzberg. Is een organisatie met verschillende divisies met 1 centraal hoofdkantoor die de verschillende divisies ondersteund.
Elke divisie heeft een eigen product, taak, markt of geografisch gebied en zijn vrij zelfstandige ondernemingen binnen de organisatie.
De divisies binnen de organisatie worden wel ‘strategic business unit’s genoemd (SBU’s)
Netwerkorganisatie (definitie en voordeel/nadeel)
Flexibele organisatie die bestaat uit niet-hiërarchisch verbonden instellingen of personen met een bepaald doel. Veel hooggekwalificeerde medewerkers werkzaam.
-Voordelen:
Toename van motivatie, verantwoordelijkheid en ondernemerschap bij deelnemende werknemers.
-Nadeel:
Besturing van organisatie
Spanwijdte (span of control)
= het aantal medewerkers dat de leidinggevende direct aanstuurt
Depth of control
Het aantal lagen in de organisatie tussen de directeur/hoogste leidinggevende en de uitvoerenden op de werkvloer
Omspanningsvermogen
= ook wel scope of control
Aantal medewerkers aan wie de leidinggevende effectief (persoonlijk en bewust) leiding kan geven.
afhankelijk van aard medewerkers, aard organisatie en aard van het werk.
Organisatie structuren
Structuren volgens Mintzberg (Henry)
Eenvoudige structuur
Machinebureaucratie
Professionele bureaucratie
Divisiestructuur
Adhocratie
Eenvoudige structuur
wijze van afstemming: directie supervisie
belangrijkste onderdeel: strategische top
Kleine ondernemingen vooral. Directeur bepaalt veel zelf. personeelsbeleid= ad hoc
Machinebureaucratie
wijze afstemming: standaardisatie werkprocessen
belangrijkste onderdeel: technostructuur
Nadruk ligt op regel en voorschriften. vooral bij grote bedrijven in vrij stabiele omgevingen. sleutelwoord efficientie.
voorbeeld: Leger, marketing, HRM, planning & control
Professionele bureaucratie
wijze afstemming: standaardisatie bekwaamheden
belangrijkste onderdeel: uitvoerend deel
Vooral bij ziekenhuizen, accountantskantoren, universiteiten, advocatenkantoren
successen zijn afhankelijk van individuelen prestaties van werknemer. Werknemers zijn moeilijk te managen
Divisiestructuur
wijze van afstemming: standaardisatie output
belangrijkste onderdeel: middenmanagement
vooral bij organisaties die te maken hebben met meer totaal verschillende afdelingen, divisies of vennootschappen met elk een eigen structuur. Personeelsbeleid sluit meestal aan bij de concernonderdeel
Bijvoorbeeld bij multinationals zoals Shell en bij ministeries.
Adhocratie
wijze van afstemming: onderlinge afstemming
belangrijkste onderdeel: ondersteunende afdelingen
wanneer er een organisatie structuur ontbreekt. kenmerkend is dat de omgeving snel verandert en de condities voortdurend wisselen
vooral in ICT en consultancy. HRM is maatwerk. succes hangt af van kwaliteit personeel
Voor- en nadelen divisieorganisatie
Voordelen:
Marktgerichte structuur
Sturing obv divisieresultaten
Voordelen kleine bedrijven (divisies) combineren voordelen grote bedrijven (concern)
Divisies maken gebruik van centrale ondersteuning die anders te duur zou zijn
Weinig afhankelijkheden tussen divisies
Nadelen:
Divisies vaak tegenstrijdige belangen.
Kwetsbaarheid door identiteitsproblemen
Geen optimaal gebruik kennis andere divisies.
Lukt het niet om centrale ondersteuning te krijgen drukken eigen kosten zwaar op het resultaat (alle divisies willen deze ondersteuning)
Eigen belang divisie kan prevaleren.
Voor- en nadelen Matrixorganisatie
Voordelen:
Eenvoudige kennisoverdracht
Specialicatie en expertiseopbouw mogelijk
Inspelen op specifieke wensen van leiding, markt en technogie
Flexibiliteit
Minder nadruk op afdelingsbelang
Korte communicatielijnen tussen experts van verschillende afdelingen
Schaalvergroting mogelijk
Nadelen:
Tegengestelde belangen bij lijnchef en functionele chef
Rapportage naar boven is tijdrovend
Managen organisatie is lastig
Zware belasting medewerkers
Veel overleg tussen afdelingen vereist tijdrovende besluitvorming
Coachen en begeleiden medewerkers is lastig door duale leiding
Duur
Voor- en nadelen Projectorganisatie
Voordelen:
Makkelijk in en uitstappen
Geschikt voor opdrachten die niet binnen één afdeling kunnen worden opgelost
Nadelen:
Een projectdeelnemer heeft 2 petten op en kan hier misbruik van maken (loyaliteit)
Bij langdurig project kan afdelingscontact verminderen.
Voor- en nadelen Lijnorganisatie
Voordelen:
Doorzichtige structuur, toezicht eenvoudig
Duidelijk wie leiding heeft→eindheid van bevel
Goedkoop (relatief weinig leiding)
Duidelijke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
Snelle beslissingen op afdelingsniveau
Snelle probleem oplossing
Verticale promotiekansen
Nadelen:
Structuur is niet flexibel
Strakke leiding daardoor weinig flexibiliteit
Risico van bureaucratie, opdrachten volgen lange weg, door/met regels en richtlijnen
Overbelasting leidinggevende door veel taken en verantwoordelijkheden
Lange communicatielijnen leiden tot trage besluitvorming bij groter aantal lagen
Samenwerking tussen afdelingen is lastig
Weinig specialisatie, erg afdelingsgericht
Voor- en nadelen Lijn-staforganisatie
Voordelen:
Eenheid van bevel
Deskundige advisering en ondersteuning
Betere samenwerking tussen afdelingentaakverlichting bij de de lijnfunctionarissen
Verhoging efficiency
Manager kan meer mensen aansturen→hoger omspanningsvermogen.
Nadelen:
Spanning tussen lijn (praktijk) en staf (theorie)
Bij fouten staf is lijn toch verantwoordelijk
Staffunctionaris kan teveel bevoegdheid krijgen
Lijn en staf kunnen langs elkaar heen werken
Lijk kan afhankelijk worden van staf
Staf heeft neiging tot uitdijen (=kostenverhogend)
Organigram
Tekening van een organisatiestructuur. Ook wel organogram genoemd.
Doel is schematisch weergeven van de formele structuur van een organisatie.
De hiërarchie en formele relaties tussen functies en afdelen worden duidelijk hieruit
Organisatiestructuur
Is de opbouw en de samenhang van de afdelingen en de taken binnen een organisatie met de daarbij behorende activiteiten, functies en verantwoordelijkheden
Eenheid van bevel
Medewerker heeft met één leidinggevende te maken van wie hij opdrachten krijgt
Eenheid van gezag
Werknemer moet instructies ontvangen van één persoon.
Functiegebouw
Is onderdeel van de organisatiestructuur. Bestaat uit alle functies die binnen de onderneming voorkomen. Richtinggevend voor benodigde competenties, salaris andere arbeidsvoorwaarden en taken bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Organiekestructuur
Verschillende divisies of afdelen binnen een organisatie. (hiervan kan je een organigram maken)
Personele structuur
Is de bezetting van de verschillende onderdelen van de organisatie (aantal medewerkers en kwaliteiten, kostenaspect, werken met eigen of inghuurd personeel, vast of tijdelijk etc)
Lijnafdelingen
De lijn draagt rechtstreeks bij aan het bereiken van het organisatie doel (bijv productie afdeling)
Lijnrelatie
Relatie tussen medewerker en leidinggevende. Dit is een hiërarchische relatie en leidinggevende heeft een hiërarchische bevoegdheid
Ondersteunende afdelingen
bijvoorbeeld de financiële afdeling
Stafafdelingen
de staf heeft een adviserende functie. Bijvoorbeeld HRM
Stafrelatie
relatie tussen medewerker en teamleider van een andere afdeling. er is geen hiërarchie
Functionele relatie
bijvoorbeeld die van de OR met de directie. Ook wanneer iemand in een staffunctie toch opdrachten mag geven aan medewerkers van een andere afdeling
Functionele bevoegdheid
wanneer iemand in een staffunctie toch opdrachten mag geven aan medewerkers van een andere afdeling. Deze medewerker heeft dan een functionele bevoegdheid.
Perspectief van innovatie en lerend vermogen
gaat om dat iedere onderneming in staat moet zijn om zich aan te passen aan de veranderende omgeving. KSF voorbeeld: vakbekwaamheid van de medewerkers en mate waarin een onderneming nieuwe producten kan ontwikkelen.