1/86
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
se déplacer —> le déplacement
zich verplaatsen —> de verplaatsing
circuler —> la circulation / le traffic (dense)
rodnrijden —> het (drukke) verkeer
se rendre à / aller à
gaan naar
retourner (à)
terugkeren (naar)
faire la navette
pendelen
choisir son mode de transport
zijn vervoermiddel kiezen
la mobilité douce / responsable
de zachte / verantwoordelijke mobiliteit
la mobilité
de mobiliteit
le mouvement
de beweging
à pied
te voet
marcher —> la marche à pied
stappen —> het stapen
se déplacer à pied
zich te voet verplaatsen
un piéton - une rue piétonne
een voetganger - een voetgangersstraat
se promener —> faire une promenade
wandelen —> een wandeling maken
faire une randonnée
een wandeltocht / trektocht maken
faire demi-tour
rechtsomkeer maken
traverser la rue
de straat oversteken
attendre au carrefour / aux feux rouges
wachten aan het kruispunt / aan het rode licht
à vélo
met de fiets
se déplacer à vélo - rouler à vélo
zich met de fiets verplaatsen - met de fiets rijden
pédaler
trappen
aller à l’école à vélo
met de fiets naar school gaan
aller au travail à vélo = le vélotaf
met de fiets naar het werk gaan
un(e) cycliste roule sur la piste cyclable
een fietser rijdt op het fietspad
porter un casque pour sa sécurité
een helm dragen voor zijn veiligheid
porter un gilet fluo / jaune
een fluohesje dragen
être visible sur la route
zichtbaar zijn op de weg
aménager des pistes cyclables
fietspaden aanleggen
les parties du vélo & les accessoires
de fietsonderdelen & de accessoires
la poignée
de handvat
le guidon
het stuur
la selle
de zadel
le frein
de rem
la pédale
de pedaal
la roue
de wiel
la chaîne
de ketting
l’antivol (en U)
de fietsslot (U-vormig)
le cadenas
de hangslot
dans les transports en commun
in het openbaar vervoer
voyager en train, en bus, en métro …
met de trein, de bus, de metro … reizen
les usagers / passagers
de gebruikers / de passagiers
prendre les transports en commun
het openbaar vervoer nemen
avoir un abonnement
een abonnement hebben
acheter / prendre un ticket / un billet
een ticket kopen / nemen
voyager à tarif réduit
met korting reizen
monter (dans le bus) < - > descendre (du bus)
instappen < - > uitstappen
prendre le train, le métro, le bus
de trein, de metro, de bus nemen
la gare
het station
le quai
het perron
la station de métro
het metrostation
la ligne de métro
de metrolijn
l’arrêt de bus
de bushalte
le chauffeur de bus
de buschauffeur
en voiture
met de wagen
une auto / voiture - un véhicule
een auto / wagen - een voertuig
un automobiliste
een automobilist
avoir le permis (de conduire)
het rijbewijs hebben
conduire (une voiture) —> un conducteur
(een auto) besturen —> een bestuurder
rouler en voiture
met de auto rijden
aller au travail en voiture
met de auto naar het werk gaan
faire du covoiturage
carpoolen
se garer / garer sa voiture
parkeren / z’n wagen parkeren
une voiture éléctrique
een elektrische wagen
recharger la voiture à une borne de rechage
de wagen opladen bij een laadpaal
une voiture autonome
een zelfrijdende auto
rouler aux heures de pointe
in de piek(uren) rijden
une file - un embouteillage / bouchon
een file - een opstopping
suivre les déviations
de wegomlegging volgen
avoir un accident
een ongeval hebben
renverser une personne
iemand omverrijden
écraser une personne
iemand overrijden
les parties de la voiture
de onderdelen van de auto
le coffre
de kofferbak
le toit
het dak
le volant
het stuurwiel
le pare-brise
de voorruit
le rétroviseur
de achteruitkijkspiegel
le (feu) clignotant
het (knipper)licht
le pneu
de band
la portière
de deur
le pneu crevé
de lekke band

le phare
(groot)licht
nouveaux moyens de transport
nieuwe vervoermiddelen
la trottinette électrique - trottiner
de elektrische step - steppen
le vélo électrique
de elektrische fiets
l’hoverboard
de hoverboard
le gyropode - la gyroroue
de gyropod - het gyrowiel